Lammyskrabbels.nl

Verhalen

Niet schrikken

Onbewust is ze in een andere wereld terecht gekomen. Een wereld die zich aandient, zonder dat zij daar invloed op heeft. Een wereld met flarden herinneringen. Onherkenbaar. Ze is een sleutel kwijt, vriendinnen herkennen haar niet en ze verzorgt een maaltijd in een vreemde keuken.

Het is ver voorbij middernacht. Lara is in diepe slaap waarin droombeelden komen en gaan, waarbij ze zich afvraagt waar die sleutel is en wat dat raar ogende gerecht is dat op de kookplaat staat. Ze ruikt niets, proeft niets, maar hoort wel iets.

Een zachte bons, alsof iemand in een naastgelegen kamer tegen de wand loopt. Ze beseft dat dit geluid niet thuishoort in haar droom. In plaats van in de vreemde keuken vindt Lara zichzelf terug in bed. Ze opent haar ogen en ontmoet een muur van duisternis. En doodse stilte. Ook van buiten dringt niets de slaapkamer binnen. Langzamerhand lost het zwartste zwart van de nacht op. Ze ontwaart de contouren van het doorwoelde dekbed naast haar, dat rijst en daalt in het nietsvermoedende ritme van Koens ademhaling.

Dan hoort ze het weer, het geluid, een zachte bons, meer een plof. Twee keer kort na elkaar. Ze onderdrukt een gil en klauwt naar de slapende man naast haar. ‘Koen, hoor je dat?’

Onder het dekbed ronkt haar echtgenoot gestaag door. Buiten doorbreekt een auto de stilte. Het koplamplicht werpt een schaduw langs het plafond. Lara’s trillende vingers tasten vergeefs naar de lichtschakelaar, terwijl twijfel en angst haar omringen. Ze sjort aan het kussen waarop haar man zijn onschuldige dromen droomt. ‘Wakker worden.’

Het dekbed komt in beweging. Koen kreunt. Hoort ze een voetstap beneden?

‘Koen,’ sist ze, ‘een inbreker.’

‘Hou op. Wat is er?’ Kreunend draait hij zich om.

‘Er is iemand beneden.’

‘Je hebt gedroomd.’

‘Echt niet, ik werd er wakker van.’

Koen geeuwt. ‘Waarvan?’ De spottende ondertoon ontgaat haar niet.

‘Luister, luister dan.’ Ze spuugt de woorden de schemer in.

Koen laat zijn ogen wennen aan het duister, richt zich op en kijkt naar Lara, die strakgespannen naast hem ligt. Hij hoort haar nauwelijks ademen. De stille slaapkamer zegt hem dat Lara weer eens overdrijft. Tot het geluid, dat overduidelijk van beneden komt, tot hem doordringt.

Lara siddert. Koen laat zich terugvallen in het kussen. Een diepe frons tussen zin ogen. Wat is hier aan de hand? Roerloos liggen ze naast elkaar. Gespitst op wat komen gaat. Maar de rust van de nacht is teruggekeerd, alsof ze het zich hebben verbeeld. Alsof ze beiden ontwaken uit een akelige droom. De stilte ligt als een zware deken over hen heen.

Koen hijst zich op de rand van het bed en klikt op de schakelaar.

‘Saskia?’ Zijn ogen knipperen tegen het plotse licht. Lara werpt een blik op de wekker.

‘Sas is ruim een uur geleden thuisgekomen.’ Ze had haar dochter de zoldertrap op horen sluipen, kort nadat ze de leeslamp had uitgedaan. Lara had niet laten merken dat ze nog wakker was. Saskia verontschuldigde zich altijd, wanneer ze laat thuis

 kwam, in de veronderstelling dat haar moeder er wakker van wordt. Dat valt niet uit haar hoofd te praten. Ondanks het overslaan van krakende traptreden, weet Lara wanneer haar dochter in huis is. Pas dan kan ze zich overgeven aan de slaap.

‘Godzijdank,’ verzucht Koen, met zijn hoofd in zijn handen, de ellebogen steunend op zijn knieën. ‘Laat me even nadenken.’

Het duurt Lara te lang. ‘We moeten,’ begint ze.

‘Het is vast loos alarm.’ Koen staat op.

‘Eindelijk,' denkt ze. 'Doe voorzichtig,' fluistert ze, terwijl haar gedachten koortsachtig voortjagen. ‘Neem een kleerhanger mee, of zo.’ Ze weet zo gauw niets anders te bedenken.

 

Geruisloos sluipt Koen de slaapkamer uit. Een zachte gloed onder de kierende badkamerdeur zet de overloop in een milde schemer. Hij hoort de torenklok slaan en werpt een blik in de badkamer, waar alles is, zoals altijd.

Een lichtstreep glijdt door het smalle raam naar binnen, langs de bovenkant van de spiegel, waarin hij even zijn warrige haardos ontwaart, tot de duisternis terugkeert.

Op de zoldertrap slaat hij behoedzaam de vierde en laatste tree over, om zijn dochter niet te alarmeren. Hij hoeft de deur van haar kamer nauwelijks open te doen. Saskia's regelmatige ademhaling stelt hem gerust. In het hele huis is het stil. Niets aan de hand. De plof kwam misschien uit het huis van de buren. Of van buiten. Lara zal het gedroomd hebben.

Terug op de overloop aarzelt hij. Zoekt hij zijn bed weer op of zal hij beneden een kijkje nemen? Het geluid van voetstappen, dat uit de keuken lijkt te komen, doet hem ineenkrimpen. In een oogwenk schiet hij de slaapkamer in, buigt zich over zijn vrouw en tast naar de plank boven haar hoofd. Nooit eerder heeft Lara haar man zo gezien. Dat krijtwitte gezicht, die opeengeklemde kaken en de enorme schrik in zijn ogen. ‘Wat denk je? Kun jij?’

“Ben je besodemietert? Ik kan niks. Een pistool tegen mijn kop krijgen, zeker? Of een mes in mijn ribben.’ Hij grist de telefoon van de plank.

                                                                                                          

Buiten klaagt een krolse poes. Daarna is het weer stil, alsof nu ook huis en tuin de adem in houden.

‘Misschien is hij weg?’ Lara probeert hoopvol te klinken.

‘Wie?’

‘Die insluiper natuurlijk. Wie anders?’

‘Met onze spullen, zeker?’ Koen veegt het zweet van zijn voorhoofd. Zijn stem trilt. Lara staat op en tilt voorzichtig het rolgordijn op en tuurt naar buiten. Enkele auto’s staan roerloos aan de overkant geparkeerd. Alles lijkt gewoon buiten, terwijl het schijnsel van de maan komt en gaat in het schemerige spel met de wolken. De bladeren van de kastanjeboom bewegen in de wind. Ergens blaft een hond. Ze is het badlaken vergeten, ontdekt ze. Het hangt nog aan de lijn. Ze schrikt van de bange vrouw die de donkere ruit weerspiegelt. De argeloze nacht lijkt verder weg dan ooit.

Koens duim stuitert over de toetsen. Lara laat het gordijn los, gaat op het bed zitten, raapt de sprei op en slaat die om zich heen.

‘Met Tuinstra, we hebben inbrekers binnen.’ Koen, op de rand van het bed, zijn rug naar haar toegekeerd, praat gedempt. Zijn boxershort glijdt af. Een vlek piept boven de rand uit. Ze kent die vlek al vanaf toen ze voor het eerst met hem onder de douche stond. Ze legt haar vinger erop. Een moedervlek op een vaderbil. Ondanks alles schiet ze in een zenuwachtige giechel. Verschrikt slaat ze een hand voor haar mond.

‘Nee, geen vergissing. Nee, niet gezien. Maar we horen het duidelijk. Wat zegt u?’

Huiverend trekt Lara de sprei op tot aan haar kin en doet een schietgebedje. Laat die insluiper in hemelsnaam beneden blijven. Of nee, laat hem weggaan. Wat valt er nu te scoren? Een televisie uit het jaar nul, een cd-speler die wel eens hapert, een antieke klok en haar laptop die in een tas onder de trap staat.

Ze hoopt dat de insluiper die over het hoofd ziet. Zonder haar spullen heeft ze morgen een groot probleem. Lara wil schreeuwen. Ze duwt haar gezicht in de sprei.

'Zeker weten, mevrouw. Stuur alsjeblieft … pardon? Ik blijf aan de lijn, ja.’ Koen friemelt aan zijn borstharen. ‘Boterbloemlaan elf. Tuinstra. Klopt. Twee onder één kap.’ Hij draait zich om. ‘Ze sturen een surveillance,’ fluistert hij.

De tranen laten zich niet langer tegenhouden. Ze dempt het gierende snikken in de sprei, die ze tegen haar gezicht duwt. Haar maag verkrampt alsof ze iets verkeerds heeft gegeten. Een misselijk makende golf stuwt tegen haar borst. Ze trekt een tissue uit de doos op het nachtkastje en wrijft over haar gezicht.

De centralist houdt Koen aan het lijntje. Hij humt en omklemt de telefoon alsof het een laatste strohalm is. Met zijn andere hand maant hij Lara tot kalmte.

De gedachte aan Saskia die ze boven haar hoofd in een nietsvermoedende slaap weet, brengt haar tot bezinning. Ze ademt nog eens diep in en haalt haar neus op. ‘Water,’ stamelt ze.

Ineens dringt het tot Lara door dat ze al een paar minuten niets meer heeft gehoord. Zou de insluiper er echt vandoor zijn? Ze staat op en schuifelt de slaapkamer uit. Drie stappen is ze verwijderd van de badkamer. Gelukkig heeft Koen de deur opengelaten. Toch stelt het vertrouwde beeld van de overloop in de schemer haar niet gerust. Angstig werpt ze een blik langs de traptreden naar beneden. Wat een geluk dat Saskia al thuis is. Een verloren snik ontsnapt haar. Ze geeft er niet aan toe. Ze zijn onderweg, ze zijn onderweg fluisteren, als een mantra, haar gedachten.

In de badkamer oogt alles vertrouwd. Het ruikt er naar Saskia’s favoriete lotion. Om geen geluid te maken houdt ze haar handen onder een miezerige straal, buigt zich over de wasbak, neemt een slok uit de kraan en laat het water over haar plakkerige gezicht lopen. De kraan piept. Snel draait ze hem dicht.

‘Lara?’

Schrik siddert door haar lijf. Koen is haar gevolgd. Onhoorbaar.

‘Niet schrikken, liefje.’ Hij slaat zijn armen om haar heen. ‘Wat doe je?’

‘Beetje water.’

Ze keert zich naar hem toe en vleit haar hoofd tegen zijn borst. Stil, ineengestrengeld wachten ze op wat komen gaat. Een drup valt uit de kraan.

‘Ze kunnen nu elke moment hier zijn.’ Koen buigt zich wat naar voren en klikt de spiegellamp aan. Zijn warme adem strijkt over haar hoofd.

Elke seconde lijkt zich te vertragen. Lara vraagt zich af hoe laat het is. Achter het raam schuiven flarden wolken voorbij. Er is nog geen spoor van daglicht te bespeuren.

Plotseling voelt ze Koens greep verstrakken. Hij beneemt haar bijna de adem. Verward probeert ze zijn arm weg te duwen.

‘Wat is er? Koen, laat me los.’

Hij staart, zijn ogen opengesperd als in trance, over haar hoofd naar de spiegel achter haar rug. Lara wringt en wrikt, trekt zich los en draait zich om.

Wat het ook is, het is onafwendbaar, beseft ze.

‘Shit, shit, shit.’ Koen wankelt een moment, vliegt de badkamer uit en rent de trap af, alsof zijn leven ervan afhangt.

 

Buiten remt een auto. Portieren slaan dicht, gevolgd door voetstappen op het grindpad. Het dringt niet tot Lara door. Ze ziet wat Koen zag.

Het briefje. Een haastige krabbel, onderaan de spiegel geplakt. Ze leest en leest nog eens.

Niet schrikken. Collega Brian kan zijn huis niet in. Slaapt beneden op de bank. Gaat vroeg weg, hoeft geen ontbijt. Vertel ik later wel. Kus, Sas.