Lammyskrabbels.nl

Mijn krabbels

Piek(er)en

Piek(er)en

Bijna kerst. In mijn huis staat een lege boom. Op de tafel een doos met versiersels. The King Singers op sportify. We wish you een merries Christmas.

Het helpt niet echt.

Het begint al als ik de doos van zolder haal. Alsof het met elke tree opwaarts een beetje donkerder wordt, terwijl toch echt de TL-lamp in de nok van het huis zijn licht over zolder én trap spreidt. 

Maar verlicht voel ik me niet. 

Zelfs de twee porseleinen engeltjes, het vogeltje met gebroken pootje, de zacht glanzende ballen en het klokje dat, tot genoegen van de kleinkinderen, echt klingelt, vrolijken mij niet op. Als een duveltje uit de kerstdoos piekt dat rare gevoel tevoorschijn.

Vraag me niet waarom.

 

Is het de combinatie van het één en het ander? De haastige tijd, die sneller verloopt dan in de andere maanden, het naderende einde van weer een jaar voorbij en het donkere decemberlicht?

Is dat het?

Ik kijk naar de wachtende boom voor de tuindeuren. Nou ja, wàchten … Die boom weet niet eens wat hem te wachten staat.

Die kijkt naar buiten en denkt: Wat doe ik hier?

 

Als tiener overkwam het mij ook wel, dat ik ineens werd bevangen door een melancholie, op momenten die daar niet om vroegen en waarvoor ik geen verklaring had. Ik kon piekeren om niks.

“Kind, ga wat doen,” zei mijn moeder dan. “Dat helpt.”

Ze kreeg gelijk, realiseer ik me nu. Dus begin ik met een mix van gespeelde blijmoedigheid en een dosis tegenzin met het optuigen van de boom en spreek met mezelf af dat ik me niet moet afvragen waar dat gevoel vandaan komt. Dat weemoedige dat zich laat vergelijken met het wakker worden uit een droom waaruit ik juist niet uit had willen ontwaken en dat als een deken over me heen valt.

Door gewoon aan de slag te gaan en mee te neuriën met the King Singers, moet ik me er maar doorheen slaan.

We won't go until we get slome, so bring some right here.

 

Tevreden kijk ik naar de boom. Een heuse kerstboom nu. Manlief komt binnen met koffie en wijst naar de piekloze boom.

‘Ik mis nog wat.’

Ik mis ook wat, denk ik, maar wel iets anders dan jij. ‘Ik twijfel,’ zeg ik en zie vraagtekens in de ogen van mijn geliefde.

We drinken onze koffie.

Ineens weet ik wat me te doen staat. Terug op de zolder open ik dozen en vind wat ik zoek: De zilverwitte ster, ooit gekocht op een rommelmarkt. Het klokje klingelt zacht als ik de ster vastzet op de top van de boom. 

Ik glimlach dwars door de weemoed heen. Mijn moeder heeft nog steeds gelijk. Weg nu met dat gepieker. 

Good tidings we bring to you and your kin …

 

Het glas in de tuindeuren weerspiegelt de boom. Ooit gaf zijn lichtende verschijning betekenis aan bange volken op zoek naar troost. Nu wijst hij naar de naderende Kerst, naar de geboorte van dat Kind dat de hele wereld heeft verlicht. De boom weet weer waarom hij hier is. Hij straalt.

En hij piekt.

 

Grootvaders klok

Grootvaders klok

November 2007. Ik was bij mijn schoonmoeder in het hospice, keek en luisterde naar haar zoals ze bezig was afscheid te nemen van het aardse leven en daarmee ook van de spullen om haar heen. Ze wees naar het statige uurwerk aan de wand.

‘Die laat ik Koos na,’ zei ze. Een logica die klonk als een klok.

 

Op onze trouwdag schertsten zijn broer en zussen al eens op beeldende wijze de gebruiksaanwijzing van mijn kersverse echtgenoot, waarbij het woord “tijdmaniak” viel, als een van zijn kenmerkende karaktertrekken.

Het is waar: Koos is een man van de klok. Niet door alleen altijd en overal op tijd te zijn, ook zijn persoonlijke fascinatie met Tijd illustreert dat.

Zo was hij na een narcose meer onder de indruk van het feit dat er een uur was verstreken, zonder dat hij daar besef van had, dan met de uitslag van de ingreep. Ook herinner ik me de aanschaf van een antwoordapparaat. Nadat we een beluisterd bericht hadden verwijderd, meldde zich een vriendelijke vrouwenstem met: “rest geheugentijd, vijftien minuten.”

De op getogen reactie van mijn geliefde zal ik nooit vergeten: ‘Stel je voor, dat het mijn tijd is en je dan hoort: Rest geheugentijd…’

Zo’n man dus.

 

Het is zo’n ouderwetse staartklok, die je moet opwinden en die zich elk half uur laat horen. Zo één die een levenlang meegaat, aldus de juwelier in ons dorp, mits je hem van tijd tot tijd laat schoonmaken.

En dat klokt, eh klopt, merken we ook zelf. Na elke beurt tikt hij de seconden weer vrolijk weg. Nou ja, vrólijk … Zijn slag klinkt wat schor, hij oogt vermoeid en moet ook steeds wat schever tegen de muur hangen om de slinger in de juiste cadans te houden.

Eerlijk gezegd hangt dat ding als een vlag op de bekende modderschuit in onze woonkamer. Totaal niet in overeenstemming met het interieur en de tand des tijds zichtbaar op het versleten houtwerk. Wij zijn wel klaar met de klok van pa en ma.

Maar is de klok dat ook met ons?

 

‘De volgende keer dat hij ermee stopt laten we hem niet meer schoonmaken,’ zeggen we al jaren. Dat blijkt nog niet zo eenvoudig. Het is toch de klok van pap en mam, hé? Wat is dan het juiste moment om er afscheid van te nemen? Een rondje familie en vrienden toont dat niemand interesse heeft.

Daarentegen zijn de jongste kleinkinderen wél enthousiast, maar dan op het moment dat de klok stilstaat.

‘Opa, de klo-hok!’

Geboeid kijken ze toe als opa de gewichten één voor één omhoog krikt, het uurwerk laat slaan voor hij de wijzers in de juiste positie plaatst en vervolgens een zetje tegen de slinger geeft.

Ademloos staren ze naar het binnenwerk als opa de zijkant opent en hen optilt om het ingenieuze mechaniek te mogen aanschouwen. Hoe hamertjes en tandjes verleden, heden en toekomstige tijd verslaan is niet uit te leggen. Ook wij weten er het fijne niet van.

Kwestie van klok en klepel.

 

September 2022. We komen thuis van een vakantie. Het valt direct op hoe stil het is in huis.

Gewoontegetrouw windt Koos de klok op. Het getik is ons zo vertrouwd dat we er pas erg in hebben als hij er na zeven minuten alweer mee uitscheidt.

Na nog een zetje gehoorzaamt het uurwerk alsnog. Gaandeweg de generaties aan wie hij zijn diensten levert, gedraagt zo’n klok zich meer en meer als een mens, zo lijkt het wel.

Wij sjouwen tassen en rugzakken naar binnen, zetten koffie, melden de kinderen dat we thuis zijn en zien dan dat de raderen van de klok wederom tot stilstand zijn gekomen.

Een teken aan de wand, menen wij. De klok is nu óók klaar met ons. Dat werd dan ook tijd.

Morgen gaat hij de deur uit. Of overmorgen. Of volgende week.

Hoe dan ook, hij gaat.

 

In de loop van de avond raken we gewend aan de stilte. We negeren een opkomend schuldgevoel en knikken dankbaar naar de wijzerplaat voor we ons bed opzoeken.

‘Rest geheugentijd … nul seconden.’

 

De volgende dag nemen wij de tijd om de dingen te doen waarvan wij vinden dat ze gedaan moeten worden? Of is het andersom: Neemt de tijd ons in beslag en doen we daarom alsof we niet nét terug zijn van vakantie?

Hoe dan ook, halverwege de ochtend galmt er ineens – de wijzers geven notabene kwart voor twaalf aan - een roestige klokslag door het huis.

‘Die slaat er ook maar een slag naar,’ roep ik onthutst.

Verbijsterd zien we de slinger slingeren en horen we de tik tikkeren.

‘Het begin van het einde,’ concludeert manlief. Dàt had hij gedacht.

De klok herpakt zich en begint de verloren tijd in te halen.

Nou zeg, zo kunnen wij geen afscheid nemen. Nog niet tenminste. Niet zolang dat ding blijft doorhameren.

Het is toch de klok van pap en mam, hè? Laat hem dan zelf maar aangeven wanneer zijn tijd is gekomen.

 

We zijn inmiddels twee weken verder.

De klok doet het nog steeds. Voor hoelang? Geen idee.

De tijd zal het leren.

Dat venster dat openging

  

 

Iemand zette dat venster, waar ik mijn vorige krabbel mee eindigde een stukje open.

Omdat ik niet weet of hij het op prijst stelt hier bij name genoemd te worden, houd ik het bij zijn initialen: M.A. vd T.

Ofwel “Mat.”

 

Mat heeft “Vergiskind” gelezen en kwam via deze en gene met mij in contact. Hij was positief over mijn debuut. We spraken over boeken, over schrijven, hij vertelde over zijn bestuurstaken en vroeg of ik Humanitas kende; een Nederlandse vereniging voor maatschappelijke dienstverlening en samenlevingsopbouw.

Mat vroeg of ik weleens had gehoord van het project “Levensboeken.”

Dat had ik inderdaad, maar daar was dan ook alles mee gezegd.

Hij vond mijn schrijfstijl goed passen in het format “Levensboeken” en vroeg of hij mij in contact mocht brengen met schrijvers die daar bij betrokken zijn.

‘Geheel vrijblijvend hoor,’ voegde hij er aan toe.

Waarom niet, dacht ik.

“Levensboeken” valt onder Humanitas. Als je meer wilt weten, klik dan op de link:

https://www.humanitas.nl/afdeling/zaanstreek-waterlad/activiteiten/humanitas-levensboek/

 

Ik besloot me erin te verdiepen. Een tijd van over en weer informatie uitwisselen en een gesprek met twee schrijvers die zo’n project coördineren, leidde ertoe dat ik me min of meer spontaan heb aangemeld als schrijver van levensboeken. Ofwel, ik ga een waargebeurd verhaal uit de eerste hand schrijven. Non-fictie.

Eerst maar eens ervaren of het inderdaad wat voor mij is.

 

En dat manuscript dan, dat voor een tijdje op de “plank” ligt? Verhuist dat nu naar de digitale prullenbak?

Geenszins. Marijn en de andere personages wachten nog. Ze hebben geen haast, maar zijn ook niet van plan ervandoor te gaan. Hoe meer zij zich beginnen te roeren, hoe dringender de noodzaak met dat verhaal verder te gaan.

Echter, als ik met mijn armen over elkaar ga zitten wachten op inspiratie, gebeurt er niets, vrees ik.

“Van schrijven komt schrijven” luidt het motto immers.

Niet voor niets worden stagnerende schrijvers aangespoord de pen op het papier, ofwel de vingers op de toetsen te houden. Het blijkt keer op keer dè remedie te zijn tegen stagnerende schrijfprocessen.

 

En zo word ik, naast fictie, ook nog eens een schrijver van non-fictie. Met verhalen uit de eerste hand van het hoofdpersonage zelf. Verhalen die er toe doen.

Om het met Humanitas te zeggen: Elk leven is de moeite waard en daarmee ook uw verhaal.

 

Zo zat het dus met dat venster.

Dank je wel, Mat.

 

Dat venster dat openging

 

Uitgaan  

 

Dansen in het flitslicht

opgaan in een monotone dwang 

 

ontsnappen aan de plicht

van het bestaan

oorverdovend lang 

 

lijven in het donker, dicht

opeengepakt 

 

 

echt,

alles is gericht

op het maken van contact.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Non-fictie-gedoe over fictie

 

 

 

Ongeveer een jaar geleden begon ik aan wat mijn tweede roman moet worden.

Voor de vroegere ervaringen van Marijn, het hoofdpersonage had ik contact met een vrouw, laat ik haar Ilse noemen, die is opgevoed door een alleenstaande moeder met een licht verstandelijke beperking. We raakten in gesprek. Na een tijdje vatte het idee post dat Marijn ook een l.v.g. moeder heeft. Dat vertelde ik en Ilse reageerde positief. Wel zei dat het niet haar verhaal zou worden, dat ik fictie schrijf, geen non-fictie.

In feit had ik haar niet meer nodig, maar we hadden met enige regelmaat een een prettig-gestoord contact.

Had ik het haar maar niet verteld.

Een paar weken geleden kreeg ik een eigenaardig mailtje met daarin het dringende verzoek te stoppen met dat verhaal. Ik begreep al snel dat Ilse door haar familie onder druk werd gezet om

mij niet meer te spreken, zelfs niet koetjes en kalfjes. Dat is haar goed recht natuurlijk.

Het leek erop dat ik in hun ogen een gevaar opleverde met mijn geschrijf.

Mijn reactie was dat ze zich geen zorgen hoefden te maken. Ik legde nogmaals uit hoe het zat en voegde een fragment toe waarin drie aspecten dat onderstrepen: Ander karakter, andere situaties en geheel andere keuzes. Wil Ilse geen contact meer, dan heb ik dat te respecteren. Het leek me op dat moment zelfs het beste.

 

Stoppen met mijn verhaal was uiteraard niet aan de orde.

Daar dacht de familie van Ilse anders over. Er werd zelfs gedreigd met een proces en hoewel ik daar niet op zat te wachten, was ik niet bang voor de uitkomst. 

Boekdelen zou ik kunnen schrijven over wat er nog meer volgde, maar ik liet mij niet de wet voorschrijven.

Ik sta in mijn recht en heb als auteur alle vrijheid wat betreft fictie.

 

Tot zover niets aan de hand, zou je zeggen.

Ware het niet dat het mijn plezier in het schrijven begon te ondermijnen. Het was alsof Ilse en consorten over de onschuldige schouders van mijn personages woest en met opgestoken middelvinger meekeken. Ik moest hen zien kwijt te raken. Hoe?

Plotseling wist ik het. Ik mailde dat ik nú stop met het boek, waarbij ik het accent aigu op “nu” wegliet en schreef erbij dat ik niet meer op mails zal ingaan en telefoontjes niet aanneem.

Dat lucht op merk ik al.

Het is geen leugen. Het bestand met al geschreven hoofdstukken ligt op de plank. Ik gun de personages en mezelf een sabbatical, tot ik er weer mee verder ga.

Ik heb er ook van geleerd: Komt er ooit weer zoiets op mijn schrijf-pad, dan zal ik het anders aanpakken. 

Het verbaast mij dat ik me zo klem gezet voelde. Door de heisa, maar ook door mezelf. Daar moet ik aan werken. 

 

Tenslotte deze spreuk die ik op een Engelstalige website tegenkwam. Vrij vertaald:  

Als er deuren op slot gaan en je kunt geen kant meer op, dan zul je zien dat er ergens een venster opengaat.

Dat klopt. Daarover meer in mijn volgende krabbel.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Mijn vader 

 

 

Aalsen 12-08 – 1923             12-08-2022

 

Ik mis hem als ik orgels hoor, 

klavieren en een bas

in het pedaal.

 

 Ik mis zijn fluitje, sigaretten, 

zijn bijbel, zijn verhaal

 

Ik mis hem als de donder,

het weerlicht in de nacht,

zijn eigen-wijze taal.

 

‘Laat me mijn eigen gang maar gaan’

Ik mis het allemaal.