Lammyskrabbels.nl

Miniatuurtjes

Mondkapje

Een jaar of zes was ik toen ik voor het eerst iemand zag die een mondkapje droeg. Het was kort nadat mijn zusje was geopereerd. Een pittige ingreep voor zo’n kleintje.

Spannend voor mijn ouders, voor mijn broer, voor mij en voor iedereen die meeleefde.

We hadden een zorgzame moeder. Als ik me had bezeerd, dan plakte zij niet alleen een pleister, maar drukte er ook een kusje op.

Een beter-maakkusje, noemde ze dat. Het hielp. Maar voor mijn zusje waren zelfs honderd pleisters met kusjes niet genoeg.

Dokters moesten haar beter maken en dat kon alleen in het ziekenhuis.

Er gingen heel wat schietgebedjes richting de hemel.

 

Die dag mocht ik mee naar mijn zusje.

Ze was nog te ziek van de operatie. Er mocht niemand bij haar. Vanachter een raampje kon mijn moeder naar haar kijken.

Ze tilde mij op en wees het bedje aan. Ik zag een dekentje met een rimpelig voorhoofdje en wat plukjes haar er bovenuit.

Zulk haar had mijn zusje, dus moest ze dat wel zijn.

Ik zei niets, keek alleen maar. Mijn moeders armen werden zwaar. Ze bleef mij optillen.

Ik hoopte dat mijn zusje mij zou zien. Dan zou ik zwaaien en gekke bekken trekken.

En dan zou ze misschien - je weet maar nooit – eventjes naar ons lachen.

 

Ineens kwam er iemand aanlopen.

‘Dat is de zuster,’ zei mijn moeder, die me op de grond zette en tegen het raam tikte.

Ik wilde dat mijn zusje mij zag. Mijn moeder wilde dat de zuster haar zag.

Of dat laatste gelukt is, weet ik niet. Het enige dat ik me herinner is dat ik schrok:

Die zuster had de helft van haar gezicht verstopt achter een doekje.

 

Wat erg, dacht ik, nu kan ze mijn zusje niet eens een beter-maakkusje geven.  

 

Lastig kiezen

 

‘Lastig kiezen,’ zegt het kind,

‘nu mijn ouders  scheiden;

pa neemt de benen, ma een vriend

en ik, ik wil hen beiden …

 

“Ik eis de auto,”  dwingt mijn pa,

“want ik kan echt niet zonder.”

“Ik houd het bed,”  jammert mijn ma,

“dat is voor mij gezonder.”

 

De spullen zijn hen heel wat waard;

niets zal er gaan verloren.

Het gaat te vuur, het gaat te zwaard

en ik, ik sluit mijn oren …

 

 

 

Als ze klaar zijn met de boedel, 

zij het hare, hij het zijn,

krijgt mijn moeder mij, ze moet wel, 

want zijn flat is veel te klein.'

Vuilnisemmer-praatje

Onlangs fietsten Koos en ik in een Veluws dorpje door een straat met van die typisch naoorlogse huurhuizen. Woningen die een uitstervend fenomeen zijn. Ik moest denken aan het huis waarin ik vanaf mijn vierde jaar ben opgegroeid.

Mijn ouders hadden zes jaar ingewoond bij de ouders van mijn vader. Ze waren dolblij met de hoekwoning, waarin de vierkante keuken het middelpunt van ons gezinsleven vormde. Aan de achterzijde, tussen schuur en keuken, vormde een stenen muur de afscheiding met het huis ernaast. Links in de hoek het afvoerputje, rechts de vuilnisemmer, die een keer per week geleegd werd en waarvan ik me niet kan herinneren dat die uitpuilde. De deksel kon altijd gewoon dicht. Gelukkig maar want als onze buurvrouw en mijn moeder elkaar wilden spreken, klommen ze op de vuilnisemmer.

Tot dat ineens stopte. Het was mijn moeder opgevallen dat de buurvrouw al een hele tijd niet meer op de emmer was geklommen. ‘Het lijkt wel of ze ons uit de weg gaat,’ zei ze tegen mijn vader.

Op een avond na het eten deed mijn moeder haar schort af en liep helemaal naar de straatkant om bij de buren aan te bellen.

Voor een gesprek van vrouw tot vrouw was de vuilnisemmer niet geschikt.

Over wat er besproken is liet mijn moeder zich tegenover ons, haar kinderen, niet uit. Het leek echter alsof ze niet veel wijzer was geworden.

De volgende avond - mijn vader was niet thuis – werd er gebeld. Buurman stond een tikkeltje zenuwachtig op de stoep. Hij wilde mijn moeder spreken. Ze gingen naar de woonkamer. Mijn broer en ik moesten in de keuken blijven. De kleintjes lagen in bed.

Ik sliep nog niet toen mijn vader thuiskwam. Verstaan kon ik hen niet, maar dat ze een indringend gesprek voerden, was wel duidelijk. En dat had natuurlijk alles met de buurvrouw te maken.

 

Een paar dagen later klom mijn vader op de vuilnisemmer – wat ik hem nooit eerder had zien doen en wat hij daarna ook nooit meer heeft gedaan. Mijn moeder bonjourde ons de keuken uit. ‘Dit gaat jullie niks aan.’ 

Hij riep de buurvrouw, die – volgens zijn versie - door de buurman de keukendeur werd uitgeduwd met de woorden

‘En nou luisteren, vrouw.’

Het onderhoud duurde nog geen minuut. 

‘Ik heb m’n spijt betuigd,’ zei mijn vader tegen mijn moeder ‘Jullie kunnen je gang weer gaan.’

 

Jaren later, toen de vuilnisemmers plaats maakten voor kunststof afvalzakken, ontfutselde ik mijn moeder haar versie over het gebeurde:

In die tijd had je nog geen maandverband. Vrouwen en meisjes die menstrueerden droegen tijdens de periode een gordeltje waaraan ze doekjes knoopten, die na gebruik werden gewassen. Als er lange tijd geen doekjes aan de lijn hingen, kon het gebeuren dat de buurvrouw voorzichtig bij mijn moeder polste of er soms weer een kleintje in aantocht was.

Mijn ouders hadden er samen over gegniffeld.

'Daar had het bij moeten blijven,' zei mijn moeder. Maar mijn vader had er een  grap over gemaakt tijdens een huis vol verjaardagsvisite, waaronder ook de buren. Buurvrouw was diep beledigd. 

Wat mijn vader had gegrapt, dat herinnerde mijn moeder zich niet meer. Althans, dat zei ze. 

Die woorden zijn bij wijze van spreken in de "vuilnisbak" gegooid. 

 

Bij ons achter het huis staat ook zo’n vuilnisemmer. Voor het restafval. Er past precies een kunststof zak in. Als die vol is verhuist hij naar de rolcontainer, zodat die redelijk schoon blijft. De emmer puilt nooit uit. De deksel kan gewoon dicht. Toch klim ik er niet op.

Als ik mijn buurvrouw wil spreken, stuur ik wel een whatsappje.   

 

 

Over geluk gesproken

 

 

’s Morgens na de hagelslag

groet ik de dingen van de dag

ik groet de grond waarop ik sta

de tafel en de tafella.

de lepels, vorken, messen,

de jam van rode bessen,

de kruimels naast mijn bord

ik groet het keukenschort,

dan klim ik op de keukenkruk.

roep uit het raam: wat een geluk!

dag kat, dag merel, beer.

dag buitenlucht, dag weer.

 

 

Bart Moeyaert  Uit “Een stukje van de regenboog”

 

Verlangen

Waar ik naar verlang vandaag

een frisse zomerjurk te dragen

met blote schouders, een uitgesneden

hals en rug en vooral goed

los om de heupen

waarmee ik dan de tuin in loop

de zon schijnt warm, maar de wind

houdt het draaglijk en brengt

de jurk in beweging en dan

 

ben jij er natuurlijk ook die

de jurk al even mooi vindt en samen

trekken we hem uit en hangen hem

aan een tak

 

en liggen te kijken in het gras naar

zo'n frisse zomerjurk in een boom, daar

verlang ik het meest naar vandaag.

 

Jo Govaerts