Lammyskrabbels.nl

Columns

Het grootse kleine Nederland

De docenten in het basisonderwijs voeren actie. Uit protest tegen de toenemende werkdruk, onderwaardering en voortdurend veranderende eisen onderbreken zij hun werktijd met een uur.

Ook in mijn familie werken en werkten er mensen in het onderwijs. Ik herken de omstandigheden waaronder gepresteerd moet worden. Er waren weken waarin manlief zestig tot zeventig uur aan schoolwerk besteedde. Soms kwam hij de zoveelste avond laat thuis. Dan stak hij zijn hand uit.

‘Zal ik mezelf maar even voorstellen?’ ☺. Een deel van de lesvakanties gebruikte hij voor achterstallige klussen en voorbereidingen voor de eerstvolgende lesperiode. Dat was toen.

En met de invoering van Passend Onderwijs neemt de werkdruk alleen maar toe.

Hoewel we beseffen dat aan verbetering van de werkomstandigheden een prijskaartje hangt en de actie niet onmiddellijk tot het beoogde resultaat zal leiden, hebben de stakende meesters en juffen wel iets bereikt. Er is volop aandacht voor hun zorgen. De koopmansgeest in ons vraagt zich af of er oplossingen bestaan die niet al te veel kosten. Wat dat betreft staan we met beide benen in de Hollandse klei.

 

Maar dan mijn leesclub. Mensen met Nederlands als tweede taal, die de taallessen (bijna) hebben afgerond en nog beter willen leren lezen en converseren. Met hen deel ik wekelijks mijn passie voor literatuur. We kiezen boeken die herschreven zijn in een gemakkelijker te lezen weergave. Op dit moment verdiepen we ons in “Hoe duur was de suiker?” Een intrigerend verhaal dat zich afspeelt in Suriname, toen nog kolonie van Nederland. Een confronterend boek over slavernij, uitbuiting en de strijd daartegen.

De deelnemers komen uit Slovenië, Somalië, Eritrea, Hongkong, Iran en de Verenigde Staten. Hun achtergronden zijn divers als de wereld zelf. De één woont hier vanwege haar werk bij een internationale organisatie, waar alleen Engels wordt gesproken. Een ander is gekomen in het kader van gezinshereniging en weer een ander heeft een leven vol ellende en ontberingen achter zich gelaten en hoewel ze terug wil zodra het veilig is, maakt ze zich in hoog tempo het Nederlands eigen. Er is verdriet en zorg, maar vooral ook hoop en humor.

Wat deze bijeenkomsten zo boeiend maakt zijn de verschillen in achtergronden en ervaringen, waardoor elk van ons een eigen kijk heeft op de samenleving, op de actualiteit en op wat we lezen.

Iedere deelnemer vindt daar zijn/haar weg in, met begrip voor de ander. Het is voor hen bijzonder om volkomen jezelf te kunnen zijn in een omgeving die niet vanzelfsprekend is.

 

Maar als het over de stakende meesters en juffen gaat bestaat er geen verschil. Tot mijn verrassing zijn ze unaniem van mening dat het kleine Nederland een groots land is, waar je in vrijheid mag leven, waar niemand hoeft te bedelen en ieder recht heeft op zorg; waar de grootste natuurrampen aan voorbij gaan; waar men zelfs onder zeeniveau het water de baas is en waar een democratie bestaat om jaloers op te zijn. Dat je, als je ergens ontevreden over bent, dan gaat staken, dàt wil er bij de lezers van “Hoe duur was de suiker” niet in.

 

Ik luister en sta weer met beide benen in de Hollandse klei.

 

 

 

 

 

Tien jaar Engel van Hoorn - Tien motto's

Winter 2007/2008. De eerste bijeenkomst van de Engel van Hoorn. De Armenkerk puilt uit.

As it is in heaven.

De Engel begint met vragen. Vragen die komen en gaan als de getijden. Vragen die er toe doen.

De economie verkeert in een recessie. Besteden, zegt Wouter Bos. Sparen adviseert de bank.

Wie moet je geloven?

 

Elk jaar heeft zijn thema. Als het Calvijnjaar tegelijk ook Darwinjaar én het jaar van de sterrenkunde is,

Wat maakt dan het verschil?

 

In het internationale jaar van de Jeugd valt het kabinet en als de NS het ontbreken van toiletten in de trein wil oplossen met een plaszak, vragen we ons terecht af:

Waar gaan we - in hemelsnaam - naar toe?

 

Terug naar de bron. Zegt de Engel van Hoorn en schaft heaters en dekens aan tegen de winterse kou in de Armenkerk. De Arabische lente wil geen zomer worden. Onvermoeibaar strijden de volken tegen de ijdelheid, toorn en luiheid van regeringen. En daar zijn ze:  De zeven hoofdzonden.

 

Afgunst en hebzucht roepen nieuwe vragen op. Wat te doen met Griekenland op de rand van de afgrond? Een duw geven of trekken we de portemonnee? Hoe om te gaan met priesters, jeugdwerkers en anderen die geen weerstand konden bieden tegen lust die er niet mag zijn en mensen beschadigd?

Malala krijgt de Nobelprijs voor de vrede; een klokkenluider in de VS krijgt 35 jaar cel. Hoe zit dat?

De engel gaat Op zoek naar de grens.

 In een jaar vol lief en leed bekijkt de engel het eens anders en legt zijn oor te luisteren. Het is een jaar vol pijn. Een vliegtuig vol passagiers verdwijnt van de radar en uit de levens van hun naasten. Een jaar met uitersten. Juli te heet, augustus te koud. Een jaar van ongeloof bij weer een vliegramp. De wereld is te klein, maar niet te omvatten. Het is onmogelijk om ziende blind en horende doof te zijn als het gaat over

Zintuigelijk leven.

 

De engel is er niet klaar mee. Het zesde zintuig krijgt vervolg.

Wanneer kinderen met hun ouders en grootouders tenonder gaan in de Middellandse zee, aanslagen elkaar opvolgen en de Nepalese grond verwoestend in beweging komt, tast de Engel rond in een wereld waarin roeptoeters het voor het zeggen willen hebben, terwijl hun zwijgende vrienden de handen uit de mouwen steken in de noodopvang. ‘We kunnen niet anders, ‘zegt de engel, ‘dan Leven met gevoel.’

 

Nu stemgerechtigden zwevende kiezers zijn geworden, steeds meer overheden gaten slaan in hun democratieën en de beste stuurlui zich verschansen achter smartmobiel om er maar wat op los te twitteren, nu roept ieder antwoord nieuwe vragen op.

Vragen die ons als een vloedgolf overspoelen. Vragen die er toe doen. En toch. Geloof het of niet, de engel maakt het verschil door grensoverschrijdend terug te keren naar de bron. Door

Vragend er wijs  te worden.

 

Vragen die niet tot eendimensionale antwoorden leiden, maar wel eigen-zinnig, door ont-moeting en ver-binding richting geven.

Geen ergensmens, niet Erdogan, niet Donald Trump, geen overalmens, niet de Jessias, niet zwarte Piet en ook niet de boze witte man hebben het antwoord.

Er zijn geen antwoorden. Alleen werkwoorden. Woorden om te doen: Zing, vecht, huil, bidt, lach, werk en bewonder.

Laat mij er dit keer drie aan toevoegen: Niet zonder ons.

Hoor je wat ik niet zeg?

 

Vandaag – 19 mei - gaat het bij de Engel van Hoorn over de kunst van het luisteren.

Ofwel: Hoor je wat ik niet zeg?

Ron zal bij de ingang een nieuwe versie van “Vijftien miljoen mensen” voordragen.

Echter, Ron is verhinderd; daarom doe ik het: “Zeventien miljoen mensen op dit hele kleine stukje aarde...”

Er wordt aangehoord en geluisterd en er wordt vreemd opgekeken.

 

Als alle bezoekers binnen zijn, zie ik haar langs fietsen. Ik steek mijn hand op. Ze stapt af.

‘Hoessie?’ Vraagt ze.

Ik heb haar lang niet gezien, ex-collega F, altijd positief, blijkbaar niets veranderd.

‘Goed,’ zeg ik. Wat moet ik anders?

Gelukkig heeft ze haast. We hoeven niets van elkaar, behalve koetjes en kalfjes.

Voor we uiteen gaan, vraagt ze waarom ik haar vriendschapsverzoek op facebook negeer.

Mij van geen kwaad bewust beloof ik beterschap.

 

Ik pak m'n telefoon er bij. Gelijk maar doen, anders heb ik het wéér gedaan.

“Lammy, je hebt meldingen gemist.” Daar heb je het al.

Vriend A heeft zijn kandidaats gehaald. Vriendin B toont haar camper. Nicht C- in Thailand - showt foto’s.

Dochter D treedt weer ’s op, maar dat wist ik al. En zus J heeft auditie gedaan voor de Mattheus.

Ik gun hen dat allemaal, hoor. Daar niet van.

 

Wat zou ik ook weer doen? O ja, dat vriendschapsverzoek van F.

Staat niet in de lijst. Heb ik haar per ongeluk geweigerd?

 

Op haar pagina treft mij een quote van Augustinus:

Een vriend is iemand die alles van je weet en toch van je houdt.

 

Tja, mooi...

 

Als ik meer van haar wil weten moet ik vriendjes worden, lees ik.

Ik twijfel en ik klap dicht. Net als mijn mobieltje...

Blue Monday

Valt er nog wat te lachen? vraagt de Engel van Hoorn.

Zeker wel. Het stemt mij al vrolijk dat dit thema aan de orde komt in de maand, die te boek staat als de meest sombere van het jaar. Toeval of bewuste keuze?

Sowieso blijkt de maandag de zwaarste dag van de week te zijn, heb ik me laten wijsmaken. En januari is de maand die, naar het gevoel van velen, het langst duurt en waarin men reikhalzend uitkijkt naar salaris of uitkering en waarin we ook nog eens die blauwe enveloppen in onze brievenbussen vinden.

Verder is dit de maand waarin de dagen nog donker zijn en de vakanties ver weg.

En last but not least, het blijkt elk jaar weer dat halverwege januari de meeste goede voornemens alweer gesneuveld zijn.

 

Aldus de in depressies gespecialiseerde Britse psycholoog, Cliff Arnall. Hij bedacht in 2005 een, naar eigen zeggen, wetenschappelijk verantwoorde formule, waaruit zou blijken dat de maandag van de laatste volle week van januari de dag is waarop men zich treurig, neerslachtig of weemoedig voelt. Blue Monday. U bent gewaarschuwd. 

Nu werd onlangs bekend dat antidepressiva nauwelijks effect scoort. Men kan net zo goed een placebo nemen.

Ook dat nog. Wat een treurige bedoening. Hoe komen we in hemelsnaam blue monday door zonder met ons hoofd en hart in een dikke mist te verdwijnen?

Het leek mij een strak plan deze column te wijden aan een adequate oplossing, zodat ik u dit keer een zinvol advies mee kan geven. Toch heb ik even gegoogeld of iemand mij niet voor is geweest. En inderdaad. In 2014 kwam een goeroe die lachworkshops geeft op het lumineuze idee het lachrecord te verbreken. Op blue monday.

Ik wist niet eens dat er zoiets als een lachrecord bestond.

 

Het record stond op naam van Museumnacht Rotterdam, vanwege het thema Waterlanders in 2013. Of men net zo lang heeft gelachen tot de tranen over de wangen biggelden, wordt er niet bij vermeld, maar het Guinessbook meldt dat Museumnacht het record van 120 naar 124 heeft gebracht. Die getallen zeggen overigens niets over het aantal vrolijke deelnemers, de hoeveelheid lachsalvo’s of de hoogte van het gegier. Ze betreffen uitsluitend het aantal decibels. Alsof je humor kunt meten aan de sterkte van het geluid. BE-LACH-E-LIJK.

 

Helaas voor de lachgoeroe, zijn opgetrommelde cursisten, volgelingen en andere belangstellenden, mislukte de volgende – en tevens laatste - poging in 2014. De lachintensiteit bleef onder de norm. Volgens een journalist ter plekke was men vergeten iets te bedenken om mensen in een spontane lachbui te laten uitbarsten.

Hoewel er tijdens de aanloop naar dit spektakel nogal wat ruchtbaarheid aan was gegeven, bleef het na afloop oorverdovend stil. Niks decibels. Ik denk dat er een blue tuesday op volgde.

Men hulde zich in zwijgen. Ook de goeroe was het lachen vergaan.

Alleen de criticasters lachten in hun vuistje. Zelf vind ik het meer iets om te huilen.

 

Maar alle gekheid op een stokje. Lachen terwijl je het niet meent leidt tot neplachen. Ook huilen op bevel gaat niet zonder hulpmiddelen, zoals een doorgesneden ui of fisherman's friends. We zien het echt wel of het gemeend is.

Hoewel, ineens moet ik aan Noord-Korea denken.

U herinnert zich vast nog wel de televisiebeelden, een jaar of wat geleden, toen de Grote Leider was overleden?

We zagen een nieuwslezeres die schokschouderend en met een dramatische snik in haar stem, melding deed van het Grote Verlies. En we zagen een volk dat zich massaal in rouwbeklag stortte voor de camera’s van de toegestroomde wereldpers. Het zag er uit als één groot straattheater, dat aanvankelijk op mijn lachspieren werkte, maar waarbij ik al snel begreep dat hier sprake was van een georkestreerde dramatiek. Gewoon volkscultuur.

Zij weeklagen gezamenlijk. Wij houden stille tochten. ’s Lands wijs, ‘s lands eer.

Blijkbaar het kan wel: huilen op commando terwijl het toch gemeend is.

Wellicht gaat het dan net zo als wanneer iemands lach zo aanstekelijk is dat je wel mee mòèt doen, dat vervolgens uitmond in een onbedaarlijk lachen-met-z’n-allen. Wie weet leiden de roerende tranen van één Koreaan tot een huilen-met-z’n-allen Zoiets?

Persoonlijk geloof ik dat emoties zich niet laten sturen. 

Emoties komen en gaan op de golven van de getijden in ons leven.

 

En Blue Monday?

Ik geloof ook helemaal niets van wat die mijnheer Arnall op een blauwe maandag heeft bedacht. Volgens mij wilde hij – net als die lachgoeroe - meer aandacht voor zijn specialisme genereren. Dat gun ik hem best wel, hoor. Daar niet van. Maar om ons dan een depri dag aan te praten. Een hard gelag als je het mij vraagt en te triest voor woorden eigenlijk.

Of om je rot te lachen.

Piek(eren)

Het is 2014. Bijna kerst. In mijn huis staat een lege boom. Op de tafel een doos met met versiersels. Om in de stemming te komen zet ik een cd op van de King Singers: we wish you een merry christmas. Het helpt niet.

Elk jaar is het bal en elk jaar op hetzelfde moment. Zodra ik de spullen te voorschijn heb gehaald daalt een wolk van melancholie over mij. Geen idee waarom.

Ik heb geen hekel aan kerst. Ik geniet van kerstavond, van een huis vol kinderen, van concerten en lange wandelingen. Gelukkig ebt dat weemoedige gevoel geleidelijk aan weg.

Maar dat moment met die versieringen voor mijn neus en die groene boom..

Als een duveltje uit de kerstdoos piekt het te voorschijn.  Vraag me niet waarom.

Is het de combinatie van het één en het ander? De haastige tijd, die in december sneller lijkt te gaan dan andere maanden, het naderende einde van weer een jaar voorbij en het donkere decemberlicht. Zou dat het zijn?

Tja, die boom. Vroeger kreeg die een zilveren of witte uitstraling. De laatste jaren lijkt onze boom op die van vorig jaar en het jaar daarvoor. Een klokje van een kleinkind, een wit vogeltje met afgebroken pootjes, twee engeltjes, aangetroffen in de kelder van het huis waarin ik opgroeide en een mislukte bal van papier-maché, waar een verhaal bij hoort. In de top een ster in plaats van de piek.        

Het is meer en meer een boom vol herinneringen geworden. Zou dat het dan zijn?

Hoe dan ook, het gevoel, dat zich laat vergelijken met het wakker worden uit een droom, waaruit ik juist niet had willen ontwaken, valt als een deken over me heen, soms warm en behaaglijk, dan weer verstikkend. Door maar gewoon aan de slag te gaan en mee te neuriën met de singers, sla ik me er wel door heen. Piekeren heeft weinig zin.

 

Piekeren. Zodra bekend is dat er een piekertraining in de steigers staat, blijkt dat nogal tot de verbeelding te spreken. Bij geen van de andere trainingen maak ik mee dat collega’s en andere medewerkers iets roepen in de trant van “kan ik ook meedoen?”

Mijn cursisten hebben nogal wat zorgen aan hun hoofd. Kopzorgen, waar mijn decemberblues bij in het niet vallen. Stukje bij beetje oefenen ze in het ontspannen, het leegmaken van hun hoofden, het onderbreken van gedachten en het bedenken van handvaten waarmee ze hun eigen oordelen te lijf gaan. Stukje bij beetje groeit het vertrouwen in deze missie en in henzelf.

Zo lukt het de één om zich zo te ontspannen dat hij bijna in slaap valt. Een ander heeft het toch aangedurfd een piekerschema in te vullen en een derde bouwt haar medicatie af, om zich niet meer zwaar en suf te voelen.

Wanneer er iets lukt, een doel wordt bereikt en een oplossing goed uitpakt zie ik hem of haar opveren. Het hoofd komt omhoog, de schouders gaan naar achteren, de rug wordt gestrekt.

Op zulke momenten wordt er niet gepiekerd. Er wordt gepiekt.

 

Inmiddels is de boom behangen met herinneringen. Alleen de top nog.

Ik  heb er dit er dit keer maar een piek op gezet.

 

De Bierkaai

Mijn moeder was de eerste die mij met die “bierkaai” confronteerde, toen ik, dertien jaar jong, mijn zinnen op een bikini had gezet. Tegen de zin van mijn vader. Een strijd om zijn eer en mijn drang naar zelfbeschikking. Ik kende het gezegde niet, maar wist wel raad met “Wie niet sterk is, moet slim zijn.” Deze strijd won ik door het verboden B-woord uit de discussie te halen.

Het ‘tweedelige badpak,’ kwam mijn vader enigszins tegemoet. De bikini heeft hij nooit in levende lijve gezien. Gelukkig.

 

Een studiementor was de volgende die met de bierkaai aan kwam zetten, toen ik een onvoldoende voor wiskunde op wilde krikken. Voor een dwarse tiener als ik reden om er met gestrekt been in te gaan. Dat de hulp van mijn broer met wiskundeknobbel een hakken-over-de-sloot-resultaat gaf doet daar niets aan af.

 

Wie vecht tegen de bierkaai strijdt voor een hopeloze zaak. Aldus ook Wikepedia. Daar ben ik het dus niet mee eens.

Het gezegde ontstond in de 18e eeuw, toen de mannen van de bierkaai onoverwinnelijk leken tijdens straatgevechten, die in steden en op het platteland werden georganiseerd. Hoewel ze de autoriteiten een doorn in het oog waren, kwam er pas halverwege de 19e eeuw een eind aan dit volksvermaak, dat “hoopvechten” werd genoemd.

Dus wat nou: hopeloos?

 

Vechten tegen de bierkaai. Wie zegt dat het een hopeloos gevecht is, ontmoedigd mij. Wie meent dat het een hoopgevecht is, moedigt mij juist aan. 

De routeplanner zwijgt. De Bierkaai is niet meer. Verdwenen onder nieuwe plaveisels wisten de straatstenen al dat de kade het zou verliezen van de oprukkende verkeersstromen. De Bierkaai die het aflegt tegen de ‘bierkaai.’

Inspiratie zal ik elders moeten vinden.

 

Ik herinner me een verklaring in de taalrubriek van Trouw, niet zo lang geleden, over dit soort verouderde spreekwoorden. Struinend in het digitale archief probeer ik het terug te vinden, maar het lijkt alsof het gezegde zelf ook ten onder is gegaan. Vergeefs blader ik door kranten van recentere data en ineens valt mij het hoge bierkaai-gehalte op van zo’n beetje alles waar de krant van verhaalt. Alleen al de afgelopen week:

Het klimaatverdrag. Oorlog in Syrië. Honger in Noord-Korea. Turks nationalisme. Wetsvoorstel orgaandonatie. En wachtlijsten in de Jeugdzorg, om er maar een paar te noemen.

Daar valt het “tuig van de richel” bij in het niet, maar om een bierkaaigevecht te voorkomen, heb ik dàt niet gezegd.

 

Ik blader verder terug en lees dat een Franse agent een vrouwelijke badgast sommeert zich van haar bedekkende kleding te ontdoen. Me mijn anti-bikinivader herinnerend lijkt de strijd van vrouwen om zelf over hun kleding te beschikken, qua duur op de straatgevechten uit de 18e eeuw. 

Gevecht tegen de boer-kaai.

 

De Engel van Hoorn - www.engelvanhoorn.nl - heeft voor het huidige seizoen gekozen voor de woorden uit het lied dat Ramses Shaffi zing: Zing, vecht, bidt, huil..., enz. Deze beijeenkomst ging het over Vechten. Motto:  Vecht u ook tegen de bierkaai?

Op verzoek van de engel van Hoorn schreef ik deze column.

Beste Esther

Vanaf vandaag ken ik jou een beetje, al hebben we elkaar nooit ontmoet.

We zijn niet de enigen die deze plek bezoeken. Dag in dag uit wachten de bezoekers in lange geduldige rijen tot ze naar binnen mogen.

Ik kom hier voor het eerst. En voor het laatst. Net als jij.

 

De strenge veiligheidscontrole bij de ingang vraagt om geduld en begrip.

Bijna alles moeten we achterlaten. Ook mijn tas mag niet naar binnen. Portemonnee en mobieltje stoppen we in onze zakken De camera hangt over een schouder. Ik kan met minder toe dan ik dacht.

Jij moest, behalve jouw bagage en familie, ook je waardigheid achterlaten.

 

We zijn op vakantie. Dit keer geen wandeling in de bergen of fietstocht langs een rivier. We bezoeken steden, musea en andere bezienswaardigheden. Zoals deze plek, waar een vriendelijke gids op ons wacht, als we eindelijk naar binnen kunnen.

Welkom in Auschwitz Eén.

Jij kwam hier tegen wil en dank. In plaats van een busritje met je kleinzoon, belandde je een week eerder in de trein die jou na een lange, ongemakkelijke reis naar hier bracht, waar bewakers met geweren en honden op jou wachtten.

Arbeit macht frei.

 

Ik kijk, luister en huiver bij alles hier, dat nog altijd verschrikkingen ademt, zelfs na zeventig jaar.

Ik ken de geschiedenis en toch word ik opnieuw en wreed wakker geschud.

Jij keek om je heen en zag angst. Je luisterde en hoorde bevelen. Je huiverde en hoopte dat de wereld eindelijk wakker zou worden.

 

In een propvolle bus overbruggen we de afstand naar Auschwitz Birkenau. Nog verder van de bewoonde wereld, omdat het doel ervan geheim moest blijven.

Omdat de afstanden tussen de kampen, de barakken, crematoria en andere gebouwen fors zijn, lopen we nu veel buiten. De open lucht is af en toe een verademing.

Vermoeid, ontredderd en bang ben jij hier, op die Rampe, uit de trein gekomen. Na de dagenlange reis vol ontberingen, hoopte je dat de buitenlucht een verademing zou zijn. Valse hoop, toen jouw man en zoon naar rechts en jij naar links werden gejaagd. Nadat je begreep dat je hen, zonder afscheid te kunnen nemen, nooit meer terug zou zien, vormde het doel van deze bestemming geen geheim meer voor jou.

 

Auschwitz-Birkenau. Hét centrale knooppunt binnen Europa dat de fabrieksmatige, systematische en logistiek gestructureerde genocide realiseerde op miljoenen kinderen, vrouwen en mannen.

En jij was één van hen.

 

“The book of names” bestaat uit een enorme rij manshoge, boeken, elk zo breed als een deur, waarin namen en data zijn geschreven van wie hier zijn omgekomen. Ik sta er bij, kijk er naar en voel me nietig. Eindeloze rijen data. Geen nummers. Namen, ook die van jou. Ongetwijfeld.

Het is niet mogelijk die boeken in te zien. Ze zijn te dik, te groot, te veelomvattend.

Jullie waren met te veel.

Maar ik weet wie je bent.

 

Ik sta in de barak, waar jij het laatst hebt ‘gewoond.’ De overvolle barak, waarin je dagen en nachten zonder water, voedsel en zonder latrines zat opgesloten. De barak als ‘wachtkamer’ omdat je er pas uit kwam zodra er een gaskamer vrij was. De laatste barak, waar jij je naam en leeftijd in de muur kerfde. Ik leg mijn hand er op en google in mijn mobieltje je naam.

Ster betekent die.

We zijn even oud nu.

 

Dag Esther.

Voortaan woon je in mijn gedachten.

Book of names

 

Kijk eens de andere kant op...

Onderweg naar huis luister ik met een half oor naar de autoradio. Een paar keer tref ik een autobestuurder, wachtend op een zijweg, tot hij de ruimte heeft om de voorrangsweg op te draaien. Wat me een paar keer opvalt is dat die automobilist niet in mijn richting (voor hem links) kijkt, maar juist de tegengestelde richting in de gaten houdt. Heeft hij mij wel in het vizier? Vraag ik me af. In één geval besluit ik de ander voorrang te verlenen. Voor alle duidelijkheid en veiligheid.

De nieuwslezer laat intussen weten dat onderzoek een flinke kloof aantoont tussen goed opgeleide allochtone (het wordt tijd daar een ander woord voor te verzinnen) jongeren en hun autochtone leeftijdgenoten. Ook als er qua diploma’s, werk- en denkniveau geen verschil is aangetroffen en ondanks alle activiteiten die deze jonge mensen ontplooien om toch maar gunstig in het beeld van de werkgever te komen. En ineens zie ik een overeenkomst met het nieuws: Zoals de automobilist zich teveel op de andere weghelft richt, zo gaat de aandacht te eenzijdig naar de mensen die ondanks kennis en kunde niet aan de bak komen.

Vanaf nu luister ik met een heel oor.

 

Later, in het journaal, zie ik hoe deze jongeren met een MBO of HBO-diploma naar een jobcoach gaan, presentatietrainingen bezoeken en zich suf netwerken, zonder dat het de kloof kleiner maakt. Wie doet hier nu wel en wie niet zijn stinkende best?

Tien minuten later volgt Hollandse Zaken. Dit keer gaat het over de werkloosheid onder 55-plussers. Mensen die na vele jaren dienstverband hun baan zijn verloren met alle nare gevolgen van dien. Mensen die ik weet niet wat verzinnen om maar te voldoen aan alle eisen die op hen losgelaten worden. Iemand, een arbeidswaardige zestiger, had zelfs onze premier een brief geschreven. Ruim twee maanden later krijgt hij een reactie: “Beste mijnheer.., waar werkgevers behoefte aan hebben is aan mensen die de mouwen opstropen...”

Ik tuimel bijna van mijn stoel van schrik en realiseer me onmiddellijk dat onze regering geen idee heeft wat er aan de hand is. En ook nu weer blijkt dat de focus voortdurend wordt gelegd op die werkloze 55-plusser. Hij, zij moet dit en dat, zus en zo, meer hier dan daar, of andersom. De verantwoordelijkheid ligt eenzijdig bij de werkzoekenden. Geen microfoon onder de neus van de werkgever, geen filmpjes van werkgevers die vertellen wat hun aandeel is en wat zij daaraan zouden kunnen doen. Niets daarvan.

 

Voor ik mijn bed op zoek lees ik op teletekst dat de Europese Commissie voet bij stuk houdt wat betreft gelijk loon voor gelijk werk voor werknemers in alle lidstaten. Een Poolse vrachtwagenchauffeur hoort hetzelfde te verdienen als een Nederlandse truckbestuurder en tenminste het minimumloon. Het lijkt mij een eerlijke zaak, maar het zet me wel aan het denken. Blijkbaar nemen werkgevers liever geen mensen in dienst die niet Jansen, de Boer of van der Sluis heten, behalve als hij hen minder loon hoeft te betalen. Nu kan ik me bij dat laatste nog wel wat voorstellen. Een werkgever moet het ook maar zien te rooien en wellicht vindt hij geen mensen uit eigen land die het werk willen doen, maar het is wel meten met twee maten.

Gelukkig voor alle werknemers houdt de Europese commissie de rug recht in deze situatie. Ook wanneer regeringen van Oost-Europese landen de herziening van de detacheringsrichtlijn willen blokkeren. Hun zorg dat het voor werkzoekenden uit het Oosten lastiger wordt werk te vinden kan ik wel begrijpen, maar het aanpakken van ongelijkheid en het voorkomen van moderne slavernij en uitbuiting mag wat mij betreft zwaarder wegen.

Ongelijkheid heeft altijd negatieve gevolgen voor iedereen. Ook voor jongeren uit families met een niet-Nederlandse achtergrond, die hierdoor geen toekomst kunnen opbouwen, kan teleurstelling op teleurstelling leiden tot een negatieve houding versus de samenleving waarvan zij deel uit maken. Net als autochtone werkzoekenden overigens, die nu nog te maken hebben met verdringing.

Kortom, beste werkgevers, vakbonden, brancheorganisaties, UWV en overheid, leg de focus nu eens op de voor jullie tegengestelde richting. Kijk eens naar de werkgevers, vraag naar het waarom en hoe, wat kunnen zij doen om de kloof te dichten? Laat hen eens een flinke draai geven aan het stuur, zodat iedereen de ruimte krijgt.

Net als die automobilist, gisteren.

Welkom in Nederland

Dat mensen in groepen leven, binnen bepaalde grenzen, ontdek ik bij aardrijkskunde op de lagere school. De kaart van Nederland hangt prominent voorin het klaslokaal en na verloop van tijd teken ik dan ook bijna blindelings de contouren van ons land. Het land dat ik voor me zie als een hond, met de kop achterwaarts gedraaid ofwel met de staart aan de verkeerde kant. Een dier met gebreken, als je het mij vraagt. En niet te vergelijken met de leeuw in ons wapen.

Een jaar of tien ben ik wanneer ik voor het eerst bewust de grens passeer; dat gebeurt tijdens een uitstapje met een vriendin en haar familie. Ergens in het Zuiden wandelen we over een onzichtbare lijn.

‘Nu ben ik in het buitenland, jippie!’ De euforie neemt toe wanneer we teruglopen; dan zien we het grensbord: Welkom in Nederland.

 

Tijdens een opruimactie op zolder vind ik mijn allereerste schrijfschriftje terug tussen spullen van toen. Ik lees het volgekrabbelde etiket: ‘Dit boekje is van Lammy Vriesinga, Prinses Marijkestraat 18, Hasselt, Overijssel, Nederland, Europa, de Wereld, het Heelal.’

Ik ken mijn plaats, blijkbaar.

 

Met de buurtkinderen speel ik landverovertje op een braakliggend veld. Ieder neemt een mes mee. 

Of – wanneer onze moeders daar een stokje voor steken - iets dat daar voor door kan gaan. De gelukkige bezitter van een echt zakmes trekt daarmee vierkante vlakken in de aarde. Het bazigste kind verdeelt die.

Als volleerde grootgrondbezitters krassen we met het mes een naam in het ons toegewezen stukje grond: Spanje, Israël, Griekenland.

"Friesland" kerf ik in die van mij, waarop een discussie volgt tussen de bazigste en de zakmesbezitter. Immers Friesland is geen echt land, ook al spreken wij, friezen, een raar taaltje en houden wij er – volgens de buurtkinderen -  soms eigenaardige gewoontes op na.

Als de naam is goedgekeurd, weet ik dat mijn afkomst wordt gedoogd. Mikkend met een bot aardappelmesje leer ik grenzen verleggen en ontdek ik spelenderwijs dat dit gepaard gaat met het begrenzen van de door mijn buurtgenootjes vertoonde expansiedrift.

 

Hoewel onze landsgrens minder wordt afgebakend, spreekt het nog altijd tot ieders verbeelding. De Nederlandse hond is niet veranderd, zelfs niet met een op de zee veroverde polder erbij. Mijn grens-overschrijdend gedrag brengt ook niet meer diezelfde euforie als toen; daarvoor ben ik al te vaak over grenzen gegaan. Toch blijf ik me bewust van die onzichtbare, maar o zo herkenbare scheidslijnen, die volkeren en culturen kenmerken.  Vooral wanneer ik naar ons land en zijn inwoners mag kijken door de ogen van nieuwe mederlanders. Zo schrijft de Irakese Al Galidi in zijn ‘Dagboek van een ezel,’ dat hij, toen hij als kind op school leerde dat Nederland ‘laag land’ betekent, zich voorstelde dat men vanuit Duitsland en België via trappen afdaalde naar Nederland.

 

Op het schoolplein, in afwachting van kleinkinderen, sta ik naast een stille man; Ik denk dat hij ergens in een Noord-Afrikaans land is geboren en dat hij misschien helemaal niet stil wil zijn. Daarom begin ik een praatje met hem, over koetjes en kamelen, waar hij enthousiast op in gaat.

'Nu ik u toch spreek,´ zegt hij in voortreffelijk Nederlands met een verrassend noordelijk accent, ´Weet u in welke AZC honden worden toegelaten?´

Verbijsterd kijk ik hem aan. ´Hoe bedoelt u?´

Per slot van rekening weet je het maar nooit. Er zijn volkeren waar men de vijand voor hond uitmaakt, hetgeen door de ander als uitermate beledigend  wordt opgevat. Zoekt deze man ruzie?

‘Ik zoek een asielzoekerscentrum voor een hond,’ antwoordt hij ernstig.

'Uw hond?´

'Nee, een zwerver. Verwaarloosd en gebrekkig. Onze buurvrouw geeft ‘m soms wat vlees. Ze zegt dat ie naar het asiel moet. Honden heb ik nooit gezien in de vier AZC’s waar ik woonde, maar er zijn er meer, in dit land. Toch?’

Dan snap ik het.

 

Nadat ik de kinderen thuis heb gebracht, vertel ik het voorval aan mijn dochter. De jongens spelen al weer buiten, met de buurtkinderen. ‘Handen omhoog of ik schiet!’

Hé…, landverovertje.

 

In zijn ‘Dagboek van een ezel’ beschrijft de auteur wat er op zijn voordeur komt te staan, mocht hij ooit in dit land een huis voor zichzelf krijgen: Hier woont asielzoeker, allochtoon, buitenlander, terrorist, moslim, sjïet, gevaar, Al Galidi. Ook hij kent zijn plaats, blijkbaar.

Welkom in Nederland

 

Weerbaarheid

Op bezoek in mijn geboorteplaats, wacht ik in een winkel om een boek af te rekenen. Ik ben niet de enige. Naast me staat een man, die me vaag bekend voorkomt. Er is iets met hem. Zijn manier van kijken, die gespeelde glimlach, die bazige houding. Angst en ergernis bekruipen mij, als ik hem herken. Dit is mijn pestkop van toen.

Dagelijks kwamen we elkaar tegen. De broers N, op weg naar hun school en wij, mijn zusje en ik, in tegengestelde richting naar die van ons. Altijd moesten ze ons hebben met hun getreiter, geduw en gespuug. Vooral de oudste van die twee.

Door hen kwamen wij te laat en kregen straf. Ze smeten mijn boeken in de modder. Ze sleurden mijn zusje achter de dijk, het hoge natte gras in, waar ik haar huilend en besmeurt aantrof en verwoede, maar vergeefse pogingen deed haar weer toonbaar te maken. Ik was niet weerbaar genoeg, voelde me schuldig, omdat ik mijn zusje niet had weten te beschermen.

Nu staat die rotzak hier. Dit is mijn kans op revanche, schiet het door me heen.

Maar ach, hij zal inmiddels een gerespecteerde volwassene zijn, met keurig opgevoede kinderen. Hij zal zich zijn slachtoffers van toen niet meer herinneren. Vanuit mijn ooghoeken zie ik hoe weinig hij in uiterlijk is veranderd, op wat kreukels en het vergrijsde haar na.

Ik reken af. Buiten wordt er op mijn schouder getikt. ‘Dat is lang geleden. Lammy is het toch? Van de fietsenmaker?’

Dat die kwal mij bijna herkent. ( die fietsenmaker was mijn oom). Ik herken mezelf amper in dat meisje van toen, met die strik en een snoet vol sproeten.

‘Je stem verraad je,’ grijnst de man, alsof hij mijn gedachten kan lezen. ‘Je weet nog wie ik ben?’

Zeker wel, maar dat komt hij niet te weten. ‘Waar ik u van moeten kennen?’

Even uit het veld geslagen, herpakt hij zich en steekt zijn hand uit.

Ik negeer het gebaar. ‘Zegt me niets,’ lieg ik, ‘ sorry.’

‘Ach toe, van onze schooltijd. Mijn broer en ik, we speelden..’ Ik wil het niet horen. Ik bedwing de neiging mijn handen tegen mijn oren te drukken en weg te hollen. Ik kijk hem recht in zijn gezicht, waar dat vage cynische lachje niet van af te branden lijkt. Geen spoor van wroeging, zie ik, alleen die smalende grijns, die dwingende toon. Net als toen.

‘Ik ben Lammy. Klopt. Maar u herinner ik me echt niet.’ De teleurstelling op zijn gezicht doet me goed. Alsof ik het meen leg ik mijn hand op zijn arm. ‘Weet u, ik heb een prachtige jeugd gehad. Alle leuke herinneringen koester ik. Het zijn er domweg te veel en daardoor kan ik nu eenmaal niet alles onthouden. Alleen de mooiste, hé?’

‘Neem me niet kwalijk,’ stamelt mijn belager, ‘dat ik je heb lastig gevallen.’ Eindelijk een bekentenis. Je moest eens weten, denk ik. Schielijk trekt hij zijn arm terug. Terwijl hij wegloopt zie ik zijn gebogen schouders. Ik heb de broers N eindelijk verslagen.

 

Van alle trainingen die ik verzorg, is de vraag naar de weerbaarheidstraining ‘Ik ben er ook nog’ het grootst.

Ik moet nog wel eens aan dit voorval denken. Weerbaar ben je niet zomaar en niet op elk moment. Maar weerbaar, assertief zijn kun je leren en ook achteraf toepassen. Zelfs na een halve eeuw.

page loading