Lammyskrabbels.nl

Minikrabbels

Terug van weggeweest

Er is iets wonderlijks gaande. De beelden die ik zie laten zich niet beschrijven. De kleuren zijn niet te benoemen. Klanken die ik hoor doen denken aan muziek, maar zijn meer dan dat. Veel meer. Onaards, hemels en oneindig vredig. Alsof ik van een andere planeet kom, denk ik als de zwaartekracht mij te pakken krijgt.

Alsof de aarde me even heeft losgelaten en weer opvangt. Zoiets…

 

Ik hoor voetstappen, een alledaags geluid.

‘Mevrouw Taanman, goedemiddag.’  De stem komt van een beetje ver. Alsof de spreekster zich aan een overkant bevindt. ‘Hoe gaat het?’

Ik open mijn ogen en zie de lamp aan het plafond. Het licht is fel. Mijn keel voelt als kurk.

‘Wilt u een ijsje?’

Ik ben terug van weggeweest.

Fantastisch dat narcose zó kan zijn. Zo..., ja hoe eigenlijk? Hoe zeg ik dat. Het woord gelukzalig komt enigszins in de buurt.

Als de voetstappen zich verwijderen, sluit ik mijn ogen weer, maar die wonderbaarlijke planeet heeft me losgelaten. Ik moet opnieuw ontwaken en de werkelijkheid onder ogen komen.  

 

Ik zit half rechtop en kijk om me heen. Pas nu valt me het gezoem, geschuifel en gemompel op. Alsof mijn oren moeten wennen aan alledaagse geluiden. Aan hoe het klinkt in een uitslaapkamer. Aan  het gemompel tussen lotgenoten en zorgverleners.

De felheid van het licht neemt af. Mijn ogen kunnen het weer aan. Ik tast naar mijn bepleisterde borst. Het is weg. De tumor is verdwenen. Niet dat ik dat voel. Het is een zekerheid die tot me doordringt en me weer met beide benen in het nu zet.

De middag lacht me toe.  Het ijsje smaakt verrukkelijk.

 

Vier uur later zijn we thuis, Koos en ik. Omringd met bloemen en kaarten.

Terug van weggeweest

 

Er is iets wonderlijks gaande. De beelden die ik zie laten zich niet beschrijven. De kleuren zijn niet te benoemen. Klanken die ik hoor doen denken aan muziek, maar zijn meer dan dat. Veel meer. Onaards, hemels en oneindig vredig. Alsof ik van een andere planeet kom, denk ik als de zwaartekracht mij te pakken krijgt.

Alsof de aarde me even heeft losgelaten en weer opvangt. Zoiets…

 

Ik hoor voetstappen, een alledaags geluid.

‘Mevrouw Taanman, goedemiddag.’  De stem komt van een beetje ver. Alsof de spreekster zich aan een overkant bevindt. ‘Hoe gaat het?’

Ik open mijn ogen en zie de lamp aan het plafond. Het licht is fel. Mijn keel voelt als kurk.

‘Wilt u een ijsje?’

Ik ben terug van weggeweest.

Fantastisch dat narcose zó kan zijn. Zo..., ja hoe eigenlijk? Hoe zeg ik dat. Het woord gelukzalig komt enigszins in de buurt.

Als de voetstappen zich verwijderen, sluit ik mijn ogen weer, maar die wonderbaarlijke planeet heeft me losgelaten. Ik moet opnieuw ontwaken en de werkelijkheid onder ogen komen.  

 

Ik zit half rechtop en kijk om me heen. Pas nu valt me het gezoem, geschuifel en gemompel op. Alsof mijn oren moeten wennen aan alledaagse geluiden. Aan hoe het klinkt in een uitslaapkamer. Aan  het gemompel tussen lotgenoten en zorgverleners.

De felheid van het licht neemt af. Mijn ogen kunnen het weer aan. Ik tast naar mijn bepleisterde borst. Het is weg. De tumor is verdwenen. Niet dat ik dat voel. Het is een zekerheid die tot me doordringt en me weer met beide benen in het nu zet.

De middag lacht me toe.  Het ijsje smaakt verrukkelijk.

 

Vier uur later zijn we thuis, Koos en ik. Omringd met bloemen en kaarten. 

Vandaag begint de rest van mijn leven. 

Woensdag 31 maart

Morgen is het weer zover.  

‘Mama, je veter is los.’ Hoe vaak ben ik er niet ingetrapt – dat krijg je met losse veters – zelfs na de zoveelste keer. Een april, kikker in je bil…Zodra iemand de datum noemt, plopt het deuntje naar boven.

Lang heb ik gedacht dat de één-april-grappen-dag is ontstaan bij de inname van Den Briel in 1572. Je weet wel, dat stelletje vrijheidsstrijders, dat het opnam tegen de almachtige Spaanse overheersers in de persoon van Alva. Met een list veroverden ze de stad Den Briel.

Op één april verloor Alva zijn bril. Door die spreuk dacht ik te weten hoe het zat met die eerste dag van de vierde maand.

Maar ik had het mis.

 

Enig gegoochel levert het volgende aan informatie op:

Oorspronkelijk werd het slachtoffer van de grap eropuit gestuurd om een verzonnen of onbestaand voorwerp te gaan kopen of op te halen. Zoals gedroogde sneeuw, een glazen bijl, een rond vierkant of muggenteentjes. Op kantoor moest men een map met zoekgeraakte artikelen op halen. Een keukenhulp moest in een kast op zoek naar de dichte gaatjespan

Ik vernam dat zulke één-aprilgrappen ook werden gebezigd in Amerika, Rusland, Australië en Noord-Afrika. Maar hoe, wat, waar en waarom het ooit begonnen is? Niemand die het weet.

Grappig toch?

 

Op mijn achttiende begon ik aan een in-service opleiding in de psychiatrie. Begeleider Sociotherapie heette dat toen. Een functie naast die van B-verpleegkundige. Ik herinner me dat een stagiaire gevraagd werd naar een bepaald paviljoen te gaan en te vragen naar de hallicunatiemeter.

 

Vorig jaar zou ik door corona de datum bijna vergeten. Vlak voor kinderbedtijd werd ik gebeeldbeld (we zaten in de eerste corona- lockdown). Kleindochter verscheen op mijn schermpje en blikte me vrolijk aan. ‘Oma, je hebt poep in je haar.’

Eén april was op de valreep gered.

 

Morgen is het weer zover.

Maar morgen heb ik geen tijd voor grappen.

Morgen word ik namelijk geopereerd.

 

Wordt vervolgd.

 

Mijn Huis van bewaring

Op een zaterdagmiddag in 1989 mochten we een kijkje nemen in de nieuwe gevangenis, als compensatie voor de overlast die het bouwen van de Glasbak, zoals de inrichting in de volksmond genoemd werd, in onze wijk had veroorzaakt. De aanstaande “bewoners” waren er nog niet ingetrokken.

We namen onze dochters mee. De tieners hadden soms van die uitgesproken ideeën hadden over de “luxe” binnen het Nederlandse gevangeniswezen. Nu konden ze dat zelf bekijken. Waar de één de sporttoestellen overdreven verwennerij vond, vroeg de ander zich af waar zo’n fraaie recreatieruimte goed voor was.  Een delinquent hoorde immers in zijn cel te brommen?

En zo waren er nog wel een paar aandachtspunten.

Helaas konden de celdeuren die middag niet op slot. Echt voelen hoe het is om opgesloten te zijn in een kleine ruimte, alleen met jezelf, een wc, tafel, stoel en bed, was niet mogelijk. Ik trok de meiden mee zo’n cel in. ‘Doe even alsof die deur hartstikke op slot zit,’ zei ik. ‘Een ander hanteert de sleutel. Is dat niet al genoeg straf?’

Natuurlijk leek hen dan vreselijk. Maar goed, ‘dan hadden die gasten  maar niet zo stom moeten doen.’ Eigen schuld, dikke bult.  En dat is natuurlijk ook weer waar. 

 

Jaren geleden liet een journalist zich vrijwillig  opsluiten in een gevangenis in Griekenland om erover te kunnen schrijven. Pure non-fictie. Pas na een paar weken ontdekte men dat hij daar niet hoorde. Het boek werd een succes.

Ik heb me weleens afgevraagd wat ik zou doen, als ik een tijd in zo’n cel zou moeten doorbrengen. Een onlinestudie oppakken of eindelijk dat boek schrijven, bedacht ik. Ik zou immers alle tijd van de wereld hebben. Zoveel vrije tijd lijkt me wel wat, maar die cel…, nee, laat maar.  

 

Inmiddels laat ook ik mij vrijwillig opsluiten, maar dan wel met een lieve bewaarder, die de boodschappen doet en alle andere noodzakelijkheden buitenshuis regelt. In plaats van een kale cel heb ik een heel huis tot mijn beschikking en ik deel maaltijden en bed met diezelfde bewaarder. 

Ik hoef  niemand te vragen of ik iemand mag bellen. Internet staat volledig tot mijn beschikking, ik mail en app dat het een lieve lust is, naast schrijven, lezen en haken. Er is niet eens tijd voor een online studie, wel om aan een boek te beginnen, al schiet dat niet erg op.

Mijn “luchtplaats” is ruim: de polderweggetjes rond het dorp.

Best een luxe “gevangenis” dus.

 

Toch voel ik me opgesloten.

Nog een mazzel dat ik na een jaar corona enigszins gewend ben aan een bestaan met minder buiten en meer binnen. Maar  het gemis van fysieke contacten met dierbaren en vrienden neemt toe. Alleen daarom al weegt mijn zelfgekozen uitsluiting steeds zwaarder.

Of dat niet wat overdreven is, hoor ik jullie denken. Kanker is immers niet besmettelijk?

Dat is gelukkig waar, maar Covid-19 is dat wel. Als ik een paar dagen voor de operatie positief word getest, gaat de ingreep niet door en schuift het allemaal minimaal een week of drie op. Dàt risico moet ik koste wat kost voorkomen.

Ook onze kinderen en kleinkinderen blijven uit voorzorg weg. Gelukkig kunnen we (beeld)bellen, videofilmpjes sturen en bekijken. Als het waar is dat onze voormalige achterburen uit de Glasbak, of welke gevangenis dan ook, hun telefoons niet bij zich mogen hebben in de cel, zullen onze kinderen, als ze nu die tieners waren, anders oordelen over de “luxe” daar.

Want zeg nou zelf: het zonder mobieltje moeten stellen, dàt is pas een straf.

Eigen schuld, dikke bult.

Vrijdag 12 maart

Vandaag is Koos jarig. We vieren het leven met taart en wijn. Er zijn kaarten appjes, mailtjes en telefoontjes. Tegelijkertijd hoort de familie ons “nieuws” aan. Lief en leed gaan hand in hand.

Toen we afgelopen woensdag de laatste uitslag van het onderzoek vernamen, kwam er een eind aan de vier bubbeldagen waarin Koos en ik ons bevonden. Alsof er een onzichtbare scheidswand tussen ons en de omgeving stond. Nu het plaatje compleet was, werd het tijd de familie op de hoogte te brengen. Om te beginnen onze dochters. Wat zag ik daar tegenop!

 

Natuurlijk schrokken ze. Dat is onvermijdelijk. Maar daar bleef het niet bij. Ze stelden zinvolle vragen die ik meenam naar het gesprek met de verpleegkundige. Ze vroegen me geen dingen te verzwijgen om hen te sparen. ‘Gewoon alles benoemen mam, want zo kunnen we er voor je zijn,’ zei de dochter, die vervolgens nog wel een aantal dagen wachtte voor ze het haar kinderen vertelde. Ze dachten mee over hoe ik het het beste kon vertellen aan de jongste. De zus die nogal wat ziek-en-zeer heeft ervaren in haar bestaan en daardoor met een angststoornis kampt voor alles wat medisch is. Die als geen ander bedreven is in het vermijden daarvan, waardoor ze het zoeken naar hulp voortdurend voor zich uit schuift. Corona en gedoe over vaccinaties zetten haar weliswaar aan het denken, maar stoken en het angstvuurtje ook weer op.

 

Vandaag, op de verjaardag van haar vader, laat deze dochter ons weten dat ze een afspraak heeft gemaakt met een therapeute. Dat hetgeen wat mij overkomt haar het laatste zetje geeft om die eerste, voor haar zo moeilijke stap te kunnen zetten, voelt als een verjaardagscadeau voor Koos en ons allemaal.  

 

Het doet me denken aan die voetballer met zijn tegeltjeswijsheid. 

Hoezo statistieken?

 

Er zijn tien factoren bekend die het risico op borstkanker vergroten. Ik heb ze maar eens op een rijtje gezet.

Het risico op borstkanker neem toe voor vrouwen die:

 

- Kort of helemaal geen borstvoeding geven

- Weinig of geen kinderen krijgen of het krijgen van het eerste kind op latere leeftijd

- Het slikken van ‘de pil’. Tijdens het gebruik is het risico licht verhoogd.

  Het risico neemt weer af na stoppen met de pil.

- Langdurig (2 tot 3 jaar) gebruik van hormoonpreparaten tegen overgangsklachten

- Vroege leeftijd van de eerste menstruatie en late menopauze

- Erfelijke aanleg kan een oorzaak zijn van borstkanker

- Weinig lichaamsbeweging

- Overgewicht tijdens en na de overgang

- Roken - lees meer

- Alcoholgebruik - lees meer over de relatie tussen alcohol en (borst)kanker

 

 

Daar zet ik mijn lijstje tegenover:

 

* Ik heb al mijn kinderen borstvoeding gegeven. Gemiddeld 5 maanden per kind

* Ik was 21 jaar toen ik voor het eerst moeder werd

* Ik heb de pil geslikt in de jaren tussen het eerste en tweede en derde kind (hooguit 4 jaar alles bij elkaar)

* Ik was bijna 15 jaar toen ik voor het eerst menstrueerde; het stopte op mijn 54e

* Borstkanker  komt verder niet voor in mijn familie; de tumor kent geen erfelijk gen

* Ik deed vroeger aan zwemsport; wij wandelen dagelijks en houden elk jaar wel een fietsvakantie

* Ik weeg 67 kilo bij een lengte van 1.65 cm

* Ik rook niet

* Ik drink af en toe een glas wijn

 

Ik bedoel maar: statistieken zeggen weinig. Dat ik toch aan de andere kant van de streep terecht ben gekomen wordt op de oncologiepoli gewoon “pech” genoemd.

Voor wie wel aan één of een paar van de genoemde risicofactoren voldoet, geldt dat  ook. Gewoon pech.

Alleen als je alle criteria hebt aangevinkt, zou je jezelf wellicht iets kunnen verwijten.

Iets. Maar niet alles. Het krijgen van kinderen, begin en eind van de menstruatie, overgangsklachten en familiair belastbaar zijn…Daar heb je geen enkele invloed op.

Kortom, wie borstkanker krijgt heeft gewoon pech.

 

Gelukkig zijn bijna alle vormen van borstkanker goed behandelbaar. Ook bij vrouwen die een volledige borstoperatie hebben ondergaan. Alleen bij wie de tumor is uitgezaaid naar andere organen liggen de overlevingskansen lager.

En toch, ik ken een dame van 81 jaar, die na diverse ingrepen en behandelingen nog volop  meedoet. Zij is zo’n boegbeeld waaraan anderen zich vastklampen. Zelf zegt ze

‘Mijn leven is aardig in evenwicht. Ik net zoveel geluk als pech gehad.’

 

En ze voegt er iets aan toe: Wees lief voor jezelf.

 

Dinsdag 9 maart

Kun je wel slapen?’ Vraagt de verpleegkundige.

Ik kan haar geruststellen. Zodra ik mijn boek wegleg en de leeslamp doof, val ik in slaap. Ook de laatste nachten. Lezen, zelfs een spannende thriller, ontspant.

‘Even de zinnen verzetten,’ zeg ik tegen mijn slaperige eega.

‘Als je morgen nog maar weet waar je ze hebt neergezet,’ mompelt hij vanonder het dekbed vandaan.

 

Wat niet wil zeggen dat ik net zo zorgeloos slaap als voorheen, hoewel ik ook toen weleens wakker werd en de slaap niet meer kon vatten. De ervaring leert mij dat je het patroon van waken en dommelen kan doorbreken door eruit te gaan, wat water te drinken en een poosje naar buiten te kijken, naar de in duisternis gehulde huizen, naar de bomen met hun kruinen wiegend in het maanlicht. Terug in bed val ik dan binnen een kwartier weer in slaap.

Niets aan de hand.

 

Vannacht wacht de tumor me op als ik wakker word. Zie dan maar weer in slaap te komen.

Ik sluip het bed uit. In de badkamer drink ik water en zie mezelf in de spiegel. De buitenwereld boeit me niet. Mijn blik is naar binnen gekeerd. Ik trek mijn shirt uit en kijk naar dat lijf dat me zo lelijk in de steek laat. Er valt niets te zien, niets te voelen. Alles oogt vertrouwd. Niets wijst erop dat daar binnen een stel cellen aan het muiten zijn geslagen. Mijn tumor heeft zich niet eens netjes aan me voorgesteld via het bekende knobbeltje of welk ander signaal dan ook. Het rotzooit in het geniep.

Hoewel...

Zonder die bus (foto) was ik me van geen kwaad(aardigheid) bewust geweest, lag ik nu lekker te slapen of stond ik glimlachend naar de slaperige straat te kijken, met m’n shirt nog aan. Alsof de bus de boosdoener is.

Nee, dankzij diezelfde bus ben ik er vroeg bij en durf ik te vertrouwen op een goede afloop. Ik trek mijn shirt weer aan en duik mijn  bed in.

Binnen een paar minuten val ik in slaap.

Alsof er niets aan de hand is.

 

Tot volgende week

Woensdag 3 maart

 

‘Bent u erg geschrokken?’

We hebben ons net aan elkaar voorgesteld als de oncologieverpleegkundige de vraag stelt.

Ze schuift me haar visitekaartje toe. ‘Voortaan ben ik uw contactpersoon.’

Hoezo voortaan? Er is immers nog geen uitslag?

Het gekke is dat ik nog niet eens aan dat schrikken ben toegekomen. Ik verkeer nog in het stadium van niet-gelijk-van-het-ergste-uitgaan, het kan van alles zijn: loos alarm (eerder meegemaakt), een cyste, iets goedaardigs…

Het biopt is net genomen. Het te onderzoeken weefsel nog onderweg naar het lab. Eerst maar eens de uitslag afwachten. Toch?

Hoezo: Bent u erg geschrokken?

Op dat moment schrik ik. En erg ook.

 

De verpleegkundige zegt dat ze mijn casus vast heeft toegevoegd aan de  overvolle agenda van artsen die een dag later de biopten bespreken. Mochten ze aan die van mij toekomen, dan is er overmorgen een uitslag. Dat is vrijdag. Maar ik moet er rekening mee houden dat het ook maandag kan worden. Met het weekend ertussen duurt dat vijf dagen. Vijf keer 24 uur, dat is 120 uur! 

Een eeuwigheid als je net aan het schrikken bent en je realiseert dat dit weleens ernstig kan zijn.

 

Twee dagen later is dat het geval: ik heb borstkanker.

 

Wordt vervolgd.