Lammyskrabbels.nl

Minikrabbels

Zaterdag 5 juni

Vandaag precies drie maanden geleden kreeg ik de diagnose borstkanker.

Schrik, hoop, confronterende gedachten en vertrouwen wisselden elkaar af.

 

Nog geen maand later werd de tumor verwijderd.

Opluchting en spanning gingen hand in hand. 

 

Twee weken later goed nieuws van de chirurg.

Gebak en wijn kwamen op tafel. 

 

 

We blikken vol vertrouwen de toekomst in.

Maar niet zonder dankbaarheid voor:  

 

 

Koos, kinderen en kleinkinderen.

De medewerkers van de witte bus, ofwel het bevolkingsonderzoek.

Verpleegkundigen, artsen en assistenten oncologie van het Dijklanderziekenhuis.

Radiotherapeutisch arts en – medewerkers van het UMCa Hoorn.

☺ En iedereen die me een hart onder de riem heeft gestoken.

 

 

Zoveel mensen met wensen, bloemen, kaarten en berichten.

Daardoor werd het nooit zwaar.

Ook namens Koos,

bedankt! 

 

 

Donderdag 3 juni

Het voelt wonderlijk om gediagnosticeerd te worden met een ziekte  waarvan ik verder niets merk.

Geen pijn, geen fysieke belemmeringen, geen hinderlijke gevolgen van de behandelingen. In ieder geval tot

vandaag. Voor het eerst sinds de diagnose merk ik er iets van. Een mij plotseling overvallende vermoeidheid. Het is prachtig weer, waar we al zo lang naar uitkeken en vanavond hadden Koos en ik zing om een stuk te fietsen in plaats van te wandelen.

Het was heerlijk. De zon niet meer heet, het lange licht, een milde wind, even op een bankje zitten om over de weilanden vol koeien en schapen uit de kijken. En voor we huiswaarts keren snel een foto maken van de familie Zwaan.

Terwijl ik mijn fiets in de schuur zet valt er – zomaar – voor mijn gevoel uit het niets – een loden deken van vermoeidheid over mij heen. Alsof ik de hele dag zware arbeid heb verricht.

Nou zeg, dacht ik, ik had ook geen meter meer moeten fietsen. Stel je voor dat dit me onderweg overkomt.

 

Zo werkt het natuurlijk niet. Juist op zo’n moment als de inspannende ontspanning gedaan is, zegt mijn lijf: nu is het klaar.

Zo gek is het niet dat dit me overkomt. De bestralingen, met als doel het tenietdoen van eventuele schadelijke celen, kunnen niet altijd het gezonde weefsel omzeilen, hoe precies uitgemeten de dosering radioactiviteit ook is. Dat weefsel raakt beschadigd en moet zich weer herstellen. Dat vraagt energie.

Kortom, ik ben sneller dan voorheen door mijn energievoorraad heen.

 

Dat betekent niet dat ik niet meer moet wandelen en fietsen. Dat betekent wel dat ik in- en ontspanning gebalanceerd moet afwisselen en het niet erg moet vinden om regelmatig even helemaal niets te doen.

Met dit weer kost me dat weinig moeite.

 

Zoals gezegd: tot nu toe is die aanval van vermoeidheid me twee keer overkomen en het zal nog wel eens gebeuren. Welnu, als dat alles is…

Ik vind nog steeds dat ik bof. Dat klinkt raar natuurlijk. Liever helemaal geen kanker. Liever helemaal niet ziek. En toch…het had ook zo heel anders kunnen gaan.

 

Tot binnenkort.

 

Over geluk gesproken

 

 

’s Morgens na de hagelslag

groet ik de dingen van de dag

ik groet de grond waarop ik sta

de tafel en de tafella.

de lepels, vorken, messen,

de jam van rode bessen,

de kruimels naast mijn bord

ik groet het keukenschort,

dan klim ik op de keukenkruk.

roep uit het raam: wat een geluk!

dag kat, dag merel, beer.

dag buitenlucht, dag weer.

 

 

Bart Moeyaert  Uit “Een stukje van de regenboog”

 

Donderdag 27 mei

Het zit erop. Vandaag heb ik de laatste dosis radioactiviteit over me heen gekregen.

Niets dan lof voor het personeel in het Dijklander ziekenhuis en het UMCa Hoorn, maar ik bel heel blij dat ik ook deze laatste fase achter mij mag laten.

En dat met nog meer positieve vooruitzichten wat betreft Covid-19. Het gaat goed met het vaccinatieprogramma, het aantal besmette personen loopt terug en de druk op ziekenhuizen en Ic’s neemt snel af.

Voor ons betekent dit ook dat onze vakantie naar Duitsland door mag gaan in juli.

Tja, dan kunnen we nog maar één ding doen: wederom de vlag uitsteken.

 

Over een week spreek ik de radiotherapeut. Dan meld ik me weer.

 

Donderdag 20 mei

De kop is er af. Vandaag onderga ik de eerste bestraling. Iedereen vraagt of ik er tegenop zie.

Ik denk van niet, maar ik heb dan ook geen idee wat me te wachten staat. Ik ga er maar gewoon op af, dan merk ik het wel.

Dat klinkt gemakkelijk. Het rare is juist dat ik besef dat er een dosis radioactiviteit op mijn lichaam wordt losgelaten, zonder  te weten of er een doel is dat vernietigd moet worden.

Het hoort bij de behandeling, dat leert de ervaring.

 

Wat fijn is, maar tegelijkertijd ook lastig, was de keuze die ik moest maken tussen de hele borst bestralen of alleen het gebied waar de tumor is verwijderd. Het behandelteam adviseerde weliswaar het laatste, maar de keuze tussen het één of het ander ligt bij de patiënt. Aan mij dus. Wat is wijsheid?

Na een dag bedenktijd, waarin ik onderzoeksresultaten uit 2018 lees en het met Koos bespreek, ben ik eruit. Om zoveel mogelijk gezond weefsel te sparen  wordt het een lokale behandeling.

 

En nu lig ik hier naar een verlicht plafond met sering-achtige figuren te staren. De lijnen op mijn lijf zijn bijgetekend. Het gebied daarbinnen is een soort landingsbaan. Vergelijk het met de beelden die je weleens ziet van een zogenaamd precisiebombardement. Rare associatie, ik weet het, maar iets anders kan ik er niet van maken.

De eerste scan is gemaakt en wordt nu bekeken. Dat duurt even. Ik heb geen idee hoelang.

Een minuut? Anderhalf?

Via een luidspreker wordt elke volgende stap meegedeeld: Scan is klaar. Behandeling gaat starten.  Terwijl het zoemt en bromt in de ruimte bewegen apparaten over en langs mij heen, komen naderbij of wijken terug. Tussen het gezoem door hoor ik het geluid dat doet denken aan een wind die door een kier in het dakraam giert. Het doet denken aan Sciencefiction.

Behandeling is gestart  zegt de stem.

Op dit moment vindt er dus een aanval op mijn lijf plaats.

Tweede helft van de behandeling start, klinkt het na een tijdje. Ik voel kippenvel op mijn armen en borsten en kijk naar de patronen boven me, zoals je naar wolken kijkt als je languit in het gras ligt.

De sessie eindigt met een laatste scan, die ook weer bekeken wordt. Zorgvuldig denk ik, want waarom anders zou dat zoveel tijd vragen?

 

Net als ik bijna begin te rillen van de kou, staan de drie  medewerkers weer om me heen.

Het is klaar. Hierna komen er nog vier van deze sessies, morgen en volgende week.

Maar eerst warm worden. Ik spring op mijn fiets en trap me warm.

Thuis wacht Koos met koffie.

15 mei

Weet iemand waar ze dit verkopen? 

en maar wachten...

Ik doe mijn best, maar toch...

Soms...

Als je succesvol bent geopereerd aan een botbreuk, blindedarmontsteking of poliepen, gaat de kwaal tot het verleden behoren. Niet bij kanker, merk ik.

Jawel, mijn borst is schoon, er zijn geen zorgen over uitzaaiingen, maar toch…het is wel kanker.

Soms wordt dat pijnlijk duidelijk. Zoals toen ik in een tv-programma over Covid-19 een vrouw van ongeveer mijn leeftijd een telefonisch gesprek zag voeren. De vrouw wachtte al lange tijd op een vaccinatie. Ze sprak met een medewerker van de GGD.

‘Ik heb twaalf jaar geleden borstkanker gehad,’ zei ze.

Ik legde mijn haakwerk neer, plotseling een en al aandacht.

‘Maar nu is de kanker terug,’ vervolgde de vrouw. ‘Met uitzaaiingen. Ik ben ongeneeslijk ziek, mevrouw,’ zei ze tegen de medewerker. ‘En ik wil nog zo graag…’

De rest hoorde ik niet meer.  Dat haar kanker was teruggekomen en uitgezaaid knalde als een mokerslag bij mij naar binnen.

Ik moet nog leren daar zinvol mee om te gaan.

 

Soms gebeurt het omgekeerde. Een paar weken later sprak ik een kennis van wie de moeder jaren geleden de diagnose had gekregen en een traject had gevolgd, vergelijkbaar met die van mij.

‘En?’  Ik durfde het bijna niet te vragen. ‘Hoe is het nu met jouw moeder?’ 

‘Goed,’ zei de kennis. ‘De ziekte is al die tijd weggebleven.

Kijk, daar trek ik me dan weer aan op.  

Vijf mei

Bevrijdingsdag. Aan de gevel wappert de driekleur. De media doen alsof er niets aan de hand is.

Nederland viert feest, zoals het gisteren de gevallenen omgekomen burgers en militairen in de tweede – en andere oorlogen herdacht. Dankzij corona geen grootste bijeenkomsten in het land.

Wie wat wil bijwonen doet dat vanuit de eigen huiskamer.

Vandaag en morgen zijn onze gedachten ook bij mijn ouders, broers en zussen. In 1989 overleed mijn moeder totaal onverwacht aan de gevolgen van een hersenbloeding. Twee maanden later zou zij vijfenzestig jaar worden.

Die vijfde mei viel dat jaar op Hemelvaartsdag en dat was in 2005 ook het geval. Toen stierf mijn vader op vrijdag zes mij, een dag na de bevrijding dus. Hij werd tweeëntachtig jaar.

Het bijzondere hierbij is dat mijn ouders elkaar leerden kennen tijdens de bezetting. Mijn vader was ondergedoken in Friesland, waar mijn moeder woonde en werkte. Vijf mei 1945 vormde voor mijn ouders hét moment waarop ze eindelijk plannen konden maken.

Bevrijdingsdag was voortaan ook hun toekomstdag.

Ondanks het gemis gaat op vijf mei ook bij ons de vlag uit.

 

Er staat een pittige wind. Terwijl Koos en ik koffiedrinken, zien we de vlag steeds langs het raam wapperen. Ik moet ineens denken aan dat vlaggenlied. O, schitterende kleuren van Nederlands vlag.

‘Dat lied kun je tegelijk zingen met In naam van oranje, doe open de poort,’ zei mijn moeder een keer, toen we de afwas deden.

Dat wist ik niet. Mijn vader was altijd de zanger  binnen het gezin. Vaak zong hij zijn baspartijen van stukken waar het koor aan werkte. In mijn kinderoren klonk dat niet als een lied. Ik vroeg me dan af waarover het ging. Mijn moeder was geen koormens, maar zong wel als ze boven met de bedden in de weer was, of bij de waslijn. Die liedjes waren herkenbaar. Mijn moeders repertoire varieerde van Jarig Jetje, via Er ruist langs de wolken naar Heb je wel gehoord van de zilveren zee.

Dat ze op school had geleerd die twee vaderlandsliedjes tegelijk te zingen, verraste mij. Ik bedacht me geen moment: ‘Dat gaan we doen.’  Alleen de gedachte al om dat met haar samen te doen, wond mij op. 

Mijn moeder nam de vlag voor haar rekening; ik de poort. Halverwege raakte ze in de war en dan begonnen we opnieuw, onder grote hilariteit.  'Kijk, daarom hoef ik niet bij een koor,' zei ze. 

De afwas wachtte. We gingen door tot het lukte de liedjes helemaal uit te zingen. Dan stond mijn lieve moedertje wél met de rug naar mij toe en – toen al -  op minstens anderhalve meter afstand bij mij vandaan. Met schokkende schouders van het lachen, maar het klonk geweldig!

 

Dierbare herinneringen vormen een dankbare afleiding. Net als muziek, fijne gesprekken en boeken helpen ze me de dagen door. Want het wachten op de volgende stap in het borstkankerproces vraagt meer van mij dan ik van mezelf had verwacht.  

Hoezo: Geduld is een schone zaak?

Echt niet!

 

20 april

 

Donderdag 15 april

Half vijf in de middag. Gewoonlijk zou Koos op dit tijdstip bezig zijn met zijn radioprogramma, het beheer van een website, of met huis-, tuin- en keukenzaken. Ik zou aan het schrijven zijn, of voor de bibliotheek aan het werk, een was wegwerken, of in de weer met bloemen en planten.

En zonder corona zouden we wellicht een stel kleinkinderen om ons heen hebben.

 

Vanmiddag niet. Op dit moment zitten we aan het gebak én aan de wijn. We hebben iets te vieren.

Een uur geleden vertrokken we naar het ziekenhuis. Een half uur geleden luisterden we ademloos naar de chirurg die mij heeft geopereerd.

‘De tumor is weg, borst en snijvlakken zijn schoon, er zijn geen uitzaaiingen aangetroffen. Het ziet er zo goed uit, dat zelfs de verwachte hormoontherapie niet nodig is.’

Alsof ik een zwaar examen heb gedaan en niet alleen geslaagd ben, maar ook nog eens cum-laude.

 

Als ik aan dat gesprek met de arts terugdenk, voel ik weer de stilte die een ogenblik tussen ons in hing. Het moest allemaal wel even binnenkomen, voor een euforische stemming zich van ons meester maakte.

Over “meester” gesproken, Koos had nog wel een paar vragen, terwijl ik als een pijl richting zevende hemel schoot. Toch fijn dat mijn bedachtzame echtgenoot erbij was om zijn aandeel in het geheel te leveren.

 

Nu houd ik wel van een wijntje nu en dan, maar nooit eerder smaakte het zo goed als op dit uur, zes weken na de diagnose. Dus proost, op ieders gezondheid.

En dat gun ik iedereen. 

 

Verlangen

Waar ik naar verlang vandaag

een frisse zomerjurk te dragen

met blote schouders, een uitgesneden

hals en rug en vooral goed

los om de heupen

waarmee ik dan de tuin in loop

de zon schijnt warm, maar de wind

houdt het draaglijk en brengt

de jurk in beweging en dan

 

ben jij er natuurlijk ook die

de jurk al even mooi vindt en samen

trekken we hem uit en hangen hem

aan een tak

 

en liggen te kijken in het gras naar

zo'n frisse zomerjurk in een boom, daar

verlang ik het meest naar vandaag.

 

Jo Govaerts

 

 

Terug van weggeweest

Er is iets wonderlijks gaande. De beelden die ik zie laten zich niet beschrijven. De kleuren zijn niet te benoemen. Klanken die ik hoor doen denken aan muziek, maar zijn meer dan dat. Veel meer. Onaards, hemels en oneindig vredig. Alsof ik van een andere planeet kom, denk ik als de zwaartekracht mij te pakken krijgt.

Alsof de aarde me even heeft losgelaten en weer opvangt. Zoiets…

 

Ik hoor voetstappen, een alledaags geluid.

‘Mevrouw Taanman, goedemiddag.’  De stem komt van een beetje ver. Alsof de spreekster zich aan een overkant bevindt. ‘Hoe gaat het?’

Ik open mijn ogen en zie de lamp aan het plafond. Het licht is fel. Mijn keel voelt als kurk.

‘Wilt u een ijsje?’

Ik ben terug van weggeweest.

Fantastisch dat narcose zó kan zijn. Zo..., ja hoe eigenlijk? Hoe zeg ik dat. Het woord gelukzalig komt enigszins in de buurt.

Als de voetstappen zich verwijderen, sluit ik mijn ogen weer, maar die wonderbaarlijke planeet heeft me losgelaten. Ik moet opnieuw ontwaken en de werkelijkheid onder ogen komen.  

 

Ik zit half rechtop en kijk om me heen. Pas nu valt me het gezoem, geschuifel en gemompel op. Alsof mijn oren moeten wennen aan alledaagse geluiden. Aan hoe het klinkt in een uitslaapkamer. Aan  het gemompel tussen lotgenoten en zorgverleners.

De felheid van het licht neemt af. Mijn ogen kunnen het weer aan. Ik tast naar mijn bepleisterde borst. Het is weg. De tumor is verdwenen. Niet dat ik dat voel. Het is een zekerheid die tot me doordringt en me weer met beide benen in het nu zet.

De middag lacht me toe.  Het ijsje smaakt verrukkelijk.

 

Vier uur later zijn we thuis, Koos en ik. Omringd met bloemen en kaarten.

Terug van weggeweest

 

Er is iets wonderlijks gaande. De beelden die ik zie laten zich niet beschrijven. De kleuren zijn niet te benoemen. Klanken die ik hoor doen denken aan muziek, maar zijn meer dan dat. Veel meer. Onaards, hemels en oneindig vredig. Alsof ik van een andere planeet kom, denk ik als de zwaartekracht mij te pakken krijgt.

Alsof de aarde me even heeft losgelaten en weer opvangt. Zoiets…

 

Ik hoor voetstappen, een alledaags geluid.

‘Mevrouw Taanman, goedemiddag.’  De stem komt van een beetje ver. Alsof de spreekster zich aan een overkant bevindt. ‘Hoe gaat het?’

Ik open mijn ogen en zie de lamp aan het plafond. Het licht is fel. Mijn keel voelt als kurk.

‘Wilt u een ijsje?’

Ik ben terug van weggeweest.

Fantastisch dat narcose zó kan zijn. Zo..., ja hoe eigenlijk? Hoe zeg ik dat. Het woord gelukzalig komt enigszins in de buurt.

Als de voetstappen zich verwijderen, sluit ik mijn ogen weer, maar die wonderbaarlijke planeet heeft me losgelaten. Ik moet opnieuw ontwaken en de werkelijkheid onder ogen komen.  

 

Ik zit half rechtop en kijk om me heen. Pas nu valt me het gezoem, geschuifel en gemompel op. Alsof mijn oren moeten wennen aan alledaagse geluiden. Aan hoe het klinkt in een uitslaapkamer. Aan  het gemompel tussen lotgenoten en zorgverleners.

De felheid van het licht neemt af. Mijn ogen kunnen het weer aan. Ik tast naar mijn bepleisterde borst. Het is weg. De tumor is verdwenen. Niet dat ik dat voel. Het is een zekerheid die tot me doordringt en me weer met beide benen in het nu zet.

De middag lacht me toe.  Het ijsje smaakt verrukkelijk.

 

Vier uur later zijn we thuis, Koos en ik. Omringd met bloemen en kaarten. 

Vandaag begint de rest van mijn leven. 

Woensdag 31 maart

Morgen is het weer zover.  

‘Mama, je veter is los.’ Hoe vaak ben ik er niet ingetrapt – dat krijg je met losse veters – zelfs na de zoveelste keer. Een april, kikker in je bil…Zodra iemand de datum noemt, plopt het deuntje naar boven.

Lang heb ik gedacht dat de één-april-grappen-dag is ontstaan bij de inname van Den Briel in 1572. Je weet wel, dat stelletje vrijheidsstrijders, dat het opnam tegen de almachtige Spaanse overheersers in de persoon van Alva. Met een list veroverden ze de stad Den Briel.

Op één april verloor Alva zijn bril. Door die spreuk dacht ik te weten hoe het zat met die eerste dag van de vierde maand.

Maar ik had het mis.

 

Enig gegoochel levert het volgende aan informatie op:

Oorspronkelijk werd het slachtoffer van de grap eropuit gestuurd om een verzonnen of onbestaand voorwerp te gaan kopen of op te halen. Zoals gedroogde sneeuw, een glazen bijl, een rond vierkant of muggenteentjes. Op kantoor moest men een map met zoekgeraakte artikelen op halen. Een keukenhulp moest in een kast op zoek naar de dichte gaatjespan

Ik vernam dat zulke één-aprilgrappen ook werden gebezigd in Amerika, Rusland, Australië en Noord-Afrika. Maar hoe, wat, waar en waarom het ooit begonnen is? Niemand die het weet.

Grappig toch?

 

Op mijn achttiende begon ik aan een in-service opleiding in de psychiatrie. Begeleider Sociotherapie heette dat toen. Een functie naast die van B-verpleegkundige. Ik herinner me dat een stagiaire gevraagd werd naar een bepaald paviljoen te gaan en te vragen naar de hallicunatiemeter.

 

Vorig jaar zou ik door corona de datum bijna vergeten. Vlak voor kinderbedtijd werd ik gebeeldbeld (we zaten in de eerste corona- lockdown). Kleindochter verscheen op mijn schermpje en blikte me vrolijk aan. ‘Oma, je hebt poep in je haar.’

Eén april was op de valreep gered.

 

Morgen is het weer zover.

Maar morgen heb ik geen tijd voor grappen.

Morgen word ik namelijk geopereerd.

 

Wordt vervolgd.

 

Mijn Huis van bewaring

Op een zaterdagmiddag in 1989 mochten we een kijkje nemen in de nieuwe gevangenis, als compensatie voor de overlast die het bouwen van de Glasbak, zoals de inrichting in de volksmond genoemd werd, in onze wijk had veroorzaakt. De aanstaande “bewoners” waren er nog niet ingetrokken.

We namen onze dochters mee. De tieners hadden soms van die uitgesproken ideeën hadden over de “luxe” binnen het Nederlandse gevangeniswezen. Nu konden ze dat zelf bekijken. Waar de één de sporttoestellen overdreven verwennerij vond, vroeg de ander zich af waar zo’n fraaie recreatieruimte goed voor was.  Een delinquent hoorde immers in zijn cel te brommen?

En zo waren er nog wel een paar aandachtspunten.

Helaas konden de celdeuren die middag niet op slot. Echt voelen hoe het is om opgesloten te zijn in een kleine ruimte, alleen met jezelf, een wc, tafel, stoel en bed, was niet mogelijk. Ik trok de meiden mee zo’n cel in. ‘Doe even alsof die deur hartstikke op slot zit,’ zei ik. ‘Een ander hanteert de sleutel. Is dat niet al genoeg straf?’

Natuurlijk leek hen dan vreselijk. Maar goed, ‘dan hadden die gasten  maar niet zo stom moeten doen.’ Eigen schuld, dikke bult.  En dat is natuurlijk ook weer waar. 

 

Jaren geleden liet een journalist zich vrijwillig  opsluiten in een gevangenis in Griekenland om erover te kunnen schrijven. Pure non-fictie. Pas na een paar weken ontdekte men dat hij daar niet hoorde. Het boek werd een succes.

Ik heb me weleens afgevraagd wat ik zou doen, als ik een tijd in zo’n cel zou moeten doorbrengen. Een onlinestudie oppakken of eindelijk dat boek schrijven, bedacht ik. Ik zou immers alle tijd van de wereld hebben. Zoveel vrije tijd lijkt me wel wat, maar die cel…, nee, laat maar.  

 

Inmiddels laat ook ik mij vrijwillig opsluiten, maar dan wel met een lieve bewaarder, die de boodschappen doet en alle andere noodzakelijkheden buitenshuis regelt. In plaats van een kale cel heb ik een heel huis tot mijn beschikking en ik deel maaltijden en bed met diezelfde bewaarder. 

Ik hoef  niemand te vragen of ik iemand mag bellen. Internet staat volledig tot mijn beschikking, ik mail en app dat het een lieve lust is, naast schrijven, lezen en haken. Er is niet eens tijd voor een online studie, wel om aan een boek te beginnen, al schiet dat niet erg op.

Mijn “luchtplaats” is ruim: de polderweggetjes rond het dorp.

Best een luxe “gevangenis” dus.

 

Toch voel ik me opgesloten.

Nog een mazzel dat ik na een jaar corona enigszins gewend ben aan een bestaan met minder buiten en meer binnen. Maar  het gemis van fysieke contacten met dierbaren en vrienden neemt toe. Alleen daarom al weegt mijn zelfgekozen uitsluiting steeds zwaarder.

Of dat niet wat overdreven is, hoor ik jullie denken. Kanker is immers niet besmettelijk?

Dat is gelukkig waar, maar Covid-19 is dat wel. Als ik een paar dagen voor de operatie positief word getest, gaat de ingreep niet door en schuift het allemaal minimaal een week of drie op. Dàt risico moet ik koste wat kost voorkomen.

Ook onze kinderen en kleinkinderen blijven uit voorzorg weg. Gelukkig kunnen we (beeld)bellen, videofilmpjes sturen en bekijken. Als het waar is dat onze voormalige achterburen uit de Glasbak, of welke gevangenis dan ook, hun telefoons niet bij zich mogen hebben in de cel, zullen onze kinderen, als ze nu die tieners waren, anders oordelen over de “luxe” daar.

Want zeg nou zelf: het zonder mobieltje moeten stellen, dàt is pas een straf.

Eigen schuld, dikke bult.

Vrijdag 12 maart

Vandaag is Koos jarig. We vieren het leven met taart en wijn. Er zijn kaarten appjes, mailtjes en telefoontjes. Tegelijkertijd hoort de familie ons “nieuws” aan. Lief en leed gaan hand in hand.

Toen we afgelopen woensdag de laatste uitslag van het onderzoek vernamen, kwam er een eind aan de vier bubbeldagen waarin Koos en ik ons bevonden. Alsof er een onzichtbare scheidswand tussen ons en de omgeving stond. Nu het plaatje compleet was, werd het tijd de familie op de hoogte te brengen. Om te beginnen onze dochters. Wat zag ik daar tegenop!

 

Natuurlijk schrokken ze. Dat is onvermijdelijk. Maar daar bleef het niet bij. Ze stelden zinvolle vragen die ik meenam naar het gesprek met de verpleegkundige. Ze vroegen me geen dingen te verzwijgen om hen te sparen. ‘Gewoon alles benoemen mam, want zo kunnen we er voor je zijn,’ zei de dochter, die vervolgens nog wel een aantal dagen wachtte voor ze het haar kinderen vertelde. Ze dachten mee over hoe ik het het beste kon vertellen aan de jongste. De zus die nogal wat ziek-en-zeer heeft ervaren in haar bestaan en daardoor met een angststoornis kampt voor alles wat medisch is. Die als geen ander bedreven is in het vermijden daarvan, waardoor ze het zoeken naar hulp voortdurend voor zich uit schuift. Corona en gedoe over vaccinaties zetten haar weliswaar aan het denken, maar stoken en het angstvuurtje ook weer op.

 

Vandaag, op de verjaardag van haar vader, laat deze dochter ons weten dat ze een afspraak heeft gemaakt met een therapeute. Dat hetgeen wat mij overkomt haar het laatste zetje geeft om die eerste, voor haar zo moeilijke stap te kunnen zetten, voelt als een verjaardagscadeau voor Koos en ons allemaal.  

 

Het doet me denken aan die voetballer met zijn tegeltjeswijsheid. 

Hoezo statistieken?

 

Er zijn tien factoren bekend die het risico op borstkanker vergroten. Ik heb ze maar eens op een rijtje gezet.

Het risico op borstkanker neem toe voor vrouwen die:

 

- Kort of helemaal geen borstvoeding geven

- Weinig of geen kinderen krijgen of het krijgen van het eerste kind op latere leeftijd

- Het slikken van ‘de pil’. Tijdens het gebruik is het risico licht verhoogd.

  Het risico neemt weer af na stoppen met de pil.

- Langdurig (2 tot 3 jaar) gebruik van hormoonpreparaten tegen overgangsklachten

- Vroege leeftijd van de eerste menstruatie en late menopauze

- Erfelijke aanleg kan een oorzaak zijn van borstkanker

- Weinig lichaamsbeweging

- Overgewicht tijdens en na de overgang

- Roken - lees meer

- Alcoholgebruik - lees meer over de relatie tussen alcohol en (borst)kanker

 

 

Daar zet ik mijn lijstje tegenover:

 

* Ik heb al mijn kinderen borstvoeding gegeven. Gemiddeld 5 maanden per kind

* Ik was 21 jaar toen ik voor het eerst moeder werd

* Ik heb de pil geslikt in de jaren tussen het eerste en tweede en derde kind (hooguit 4 jaar alles bij elkaar)

* Ik was bijna 15 jaar toen ik voor het eerst menstrueerde; het stopte op mijn 54e

* Borstkanker  komt verder niet voor in mijn familie; de tumor kent geen erfelijk gen

* Ik deed vroeger aan zwemsport; wij wandelen dagelijks en houden elk jaar wel een fietsvakantie

* Ik weeg 67 kilo bij een lengte van 1.65 cm

* Ik rook niet

* Ik drink af en toe een glas wijn

 

Ik bedoel maar: statistieken zeggen weinig. Dat ik toch aan de andere kant van de streep terecht ben gekomen wordt op de oncologiepoli gewoon “pech” genoemd.

Voor wie wel aan één of een paar van de genoemde risicofactoren voldoet, geldt dat  ook. Gewoon pech.

Alleen als je alle criteria hebt aangevinkt, zou je jezelf wellicht iets kunnen verwijten.

Iets. Maar niet alles. Het krijgen van kinderen, begin en eind van de menstruatie, overgangsklachten en familiair belastbaar zijn…Daar heb je geen enkele invloed op.

Kortom, wie borstkanker krijgt heeft gewoon pech.

 

Gelukkig zijn bijna alle vormen van borstkanker goed behandelbaar. Ook bij vrouwen die een volledige borstoperatie hebben ondergaan. Alleen bij wie de tumor is uitgezaaid naar andere organen liggen de overlevingskansen lager.

En toch, ik ken een dame van 81 jaar, die na diverse ingrepen en behandelingen nog volop  meedoet. Zij is zo’n boegbeeld waaraan anderen zich vastklampen. Zelf zegt ze

‘Mijn leven is aardig in evenwicht. Ik net zoveel geluk als pech gehad.’

 

En ze voegt er iets aan toe: Wees lief voor jezelf.

 

Dinsdag 9 maart

Kun je wel slapen?’ Vraagt de verpleegkundige.

Ik kan haar geruststellen. Zodra ik mijn boek wegleg en de leeslamp doof, val ik in slaap. Ook de laatste nachten. Lezen, zelfs een spannende thriller, ontspant.

‘Even de zinnen verzetten,’ zeg ik tegen mijn slaperige eega.

‘Als je morgen nog maar weet waar je ze hebt neergezet,’ mompelt hij vanonder het dekbed vandaan.

 

Wat niet wil zeggen dat ik net zo zorgeloos slaap als voorheen, hoewel ik ook toen weleens wakker werd en de slaap niet meer kon vatten. De ervaring leert mij dat je het patroon van waken en dommelen kan doorbreken door eruit te gaan, wat water te drinken en een poosje naar buiten te kijken, naar de in duisternis gehulde huizen, naar de bomen met hun kruinen wiegend in het maanlicht. Terug in bed val ik dan binnen een kwartier weer in slaap.

Niets aan de hand.

 

Vannacht wacht de tumor me op als ik wakker word. Zie dan maar weer in slaap te komen.

Ik sluip het bed uit. In de badkamer drink ik water en zie mezelf in de spiegel. De buitenwereld boeit me niet. Mijn blik is naar binnen gekeerd. Ik trek mijn shirt uit en kijk naar dat lijf dat me zo lelijk in de steek laat. Er valt niets te zien, niets te voelen. Alles oogt vertrouwd. Niets wijst erop dat daar binnen een stel cellen aan het muiten zijn geslagen. Mijn tumor heeft zich niet eens netjes aan me voorgesteld via het bekende knobbeltje of welk ander signaal dan ook. Het rotzooit in het geniep.

Hoewel...

Zonder die bus (foto) was ik me van geen kwaad(aardigheid) bewust geweest, lag ik nu lekker te slapen of stond ik glimlachend naar de slaperige straat te kijken, met m’n shirt nog aan. Alsof de bus de boosdoener is.

Nee, dankzij diezelfde bus ben ik er vroeg bij en durf ik te vertrouwen op een goede afloop. Ik trek mijn shirt weer aan en duik mijn  bed in.

Binnen een paar minuten val ik in slaap.

Alsof er niets aan de hand is.

 

Tot volgende week

Woensdag 3 maart

 

‘Bent u erg geschrokken?’

We hebben ons net aan elkaar voorgesteld als de oncologieverpleegkundige de vraag stelt.

Ze schuift me haar visitekaartje toe. ‘Voortaan ben ik uw contactpersoon.’

Hoezo voortaan? Er is immers nog geen uitslag?

Het gekke is dat ik nog niet eens aan dat schrikken ben toegekomen. Ik verkeer nog in het stadium van niet-gelijk-van-het-ergste-uitgaan, het kan van alles zijn: loos alarm (eerder meegemaakt), een cyste, iets goedaardigs…

Het biopt is net genomen. Het te onderzoeken weefsel nog onderweg naar het lab. Eerst maar eens de uitslag afwachten. Toch?

Hoezo: Bent u erg geschrokken?

Op dat moment schrik ik. En erg ook.

 

De verpleegkundige zegt dat ze mijn casus vast heeft toegevoegd aan de  overvolle agenda van artsen die een dag later de biopten bespreken. Mochten ze aan die van mij toekomen, dan is er overmorgen een uitslag. Dat is vrijdag. Maar ik moet er rekening mee houden dat het ook maandag kan worden. Met het weekend ertussen duurt dat vijf dagen. Vijf keer 24 uur, dat is 120 uur! 

Een eeuwigheid als je net aan het schrikken bent en je realiseert dat dit weleens ernstig kan zijn.

 

Twee dagen later is dat het geval: ik heb borstkanker.

 

Wordt vervolgd.